Goederen (biens) zijn alle dingen die je in eigendom kunt hebben. In het
Romeinse recht werd daarbij al onderscheid gemaakt tussen lichamelijke zaken ‘res
corporales’ en onlichamelijke zaken ‘res incorporales’. De lichamelijke zaken
waren echte materiële dingen. Tastbare zaken die kunnen worden aangeraakt. Bij de
onlichamelijke zaken ging het om het recht op die materiële dingen. Er lag dus
altijd een fysiek voorwerp ten grondslag aan een onlichamelijke zaak. Je kon alleen
een materieel lichamelijk ding bezitten. In het moderne recht is dat niet
langer het geval.
Tegenwoordig gaat het om de vraag of een ding een economische waarde
heeft. Dus vooral om de vraag of iets op geld waardeerbaar is (ayant une valeur
pécuniaire). Onlichamelijke goederen zijn dan rechten en vorderingen met een
economische waarde. ‘Biens incorporels’ zijn dus eigenlijk een vorm van
intellectuele eigendom (propriété intellectuelle). Zoals bijvoorbeeld een
geldvordering (une créance), gebruiksrechten (droits d’usage) of een
auteursrecht (un droit d’auteur). De eigendom van een onlichamelijke zaak is dus
onafhankelijk van het al dan niet bestaan van een achterliggend fysiek en
tastbaar voorwerp (une chose matérielle et tangible). Dat neemt niet weg dat
het heel goed mogelijk is dat een ‘biens incorporels’ zijn grond vindt in een
tastbaar object.
In het Nederlandse recht wordt de term zaak gereserveerd voor
lichamelijke zaken. Voor wat in het Franse recht ‘biens incorporels’ wordt
genoemd gebruiken Nederlandse juristen het woord vermogensrecht. In het
Nederlandse recht wordt de term onlichamelijke zaak gelet op de definitie van
het begrip zaak in 3:2 BW dan ook niet meer gebruikt. Er wordt echter
weldegelijk een strikt onderscheid gemaakt tussen tastbare objecten, zaken in
de zin van artikel 3:2 BW, en de genoemde vermogensrechten. Beiden zijn
vermogensbestanddelen en worden juridisch als goederen (biens) aangemerkt.