maandag 10 december 2018

HERVORMING VAN DE FRANSE RECHTSPRAAK: FUSIE VAN HET TRIBUNAL D’INSTANCE EN HET TRIBUNAL DE GRANDE INSTANCE


Ondanks felle tegenstand van de oppositie heeft de Franse Assembleé nationale in de nacht van woensdag 5 op donderdag 6 december ingestemd met de controversiële fusie van de Tribunal d’instance (TI) en de Tribunal de grande instance (TGI). De TI zijn vergelijkbaar met de Nederlandse kantongerechten en de TGI zijn vergelijkbaar met de Nederlandse arrondissementsrechtbanken. Met de fusie ontstaat er een nieuw gerecht: het ‘Tribunal judiciaire’ (JI).

Ook in Nederland zijn de kantongerechten al geruime tijd verleden tijd. In 2002 werden de oude kantongerechten opgenomen als de afdeling kanton in de arrondissementsrechtbanken en in 2013 werden zelfs die afdelingen afgeschaft. Een soortgelijke sanering van toegankelijke rechtspraak vlak bij de burger staat nu ook Frankrijk te wachten. Moest in 2017 de Franse buurtrechter (juge de proximité) er al aan geloven nu is de beurt aan de kantongerechten. Deze buurtrechters behandelden kleine zaken die een waarde tot €4.000 vertegenwoordigden.

De 304 TI’s behandelden iets grotere geschillen tussen buren, kleine consumentengeschillen en zelfs lichte strafzaken. De financiële inzet van dergelijke geschillen mocht de €10.000 niet overschrijden en net als bij de ‘juge de proximité’ was bijstand door een advocaat niet verplicht. De 164 TGI’s zijn vooral belast met het normale civiele- en strafrecht waarbij de financiële inzet boven de €10.000 ligt. De fusie levert dus een nieuw soort rechtbank op: het ‘Tribunal judiciaire’. In de praktijk zal het echter vooral neerkomen op een voortzetting van de oude TGI’s onder een andere naam.

Met deze hervorming wordt het nu ook mogelijk om in ieder departement een speciale rechtbank gespecialiseerd in strafzaken in te stellen. Tegelijkertijd wordt een vereenvoudiging van de procedure ingevoerd. Zo wordt het in het civiele recht mogelijk om een eis via internet in te dienen (dépôt de plainte en ligne). Eén en ander moet de Franse rechtspraak goedkoper en efficiënter maken. Of dat ook echt zal lukken is nog maar de vraag. Zeker is het in elk geval wel dat het nu ook voor de Franse burger een stuk lastiger gaat worden om zijn relatief kleine consumentenzaken aan een rechter voor te leggen.



zaterdag 1 december 2018

Internetplatforms: ZZP-er of werknemer


Bij uitspraak van 28 november jongstleden (n° 1737 (17-20.079) heeft de sociale kamer van de Franse Hoge Raad (la Chambre sociale du Court de cassation) uitgemaakt dat ‘zelfstandigen’ die voor internetbedrijven als Deliveroo en Uber werken voortaan als echte werknemers (salarié) moeten worden aangemerkt. Het ging om een aan de kant gezette maaltijdbezorger die vond dat hij als werknemer moest worden beschouwd en daarom aanspraak kon maken op de aan die status verbonden sociale wetgeving.

Om als werknemer te kunnen worden aangermerkt is het volgens de uitspraak nodig dat er een band van ondergeschiktheid (lien de subordination) bestaat tussen werkgever en werknemer. Die band wordt gekenmerkt door de uitvoering van werkzaamheden onder het gezag van een werkgever die de bevoegdheid heeft om bevelen en richtlijnen uit te vaardigen, toezicht te houden op de uitvoering ervan en overtredingen te sanctioneren. Het Cour constateert dat de onderhavige aanstelling: « était dotée d’un système de géolocalisation permettant le suivi en temps réel par la société de la position du coursier et la comptabilisation du nombre total de kilomètres parcourus par celui-ci et l’entreprise disposait d’un pouvoir de sanction à l’égard du coursier ». Dat was voldoende om het contract van de voormalige bezorger van Take Eat Easy, een internetplatform voor de bezorging van maaltijden, te beschouwen als een arbeidscontract met alle wettelijke gevolgen van dien. De maaltijdbezorger was dus gewoon in loondienst bij het bedrijf.

Deze uitspraak heeft verstrekkende gevolgen voor de ‘contractanten’ van alle soortgelijke ondernemingen, die voortaan als werknemers zullen moeten worden aangemerkt. Er zullen sociale premies moeten worden afgedragen en de nieuwe ‘werknemers’ vallen voortaan onder allerlei wettelijke beschermingsregels. Het is trouwens maar de vraag of de gevolgen van deze uitspraak beperkt blijven tot Frankrijk. Het Nederlandse recht wijkt op dit punt niet zo heel veel af van het Franse recht, en ook andere Europese landen kennen soortgelijke leerstukken. Daarmee komt het hele bedrijfsmodel van de digitale platformindustrie op losse schroeven te staan.


zaterdag 10 november 2018

BEWIJSVERMOEDENS IN HET FRANSE CIVIELE RECHT


In het recht wordt onderscheid gemaakt tussen bewijzen en aannemelijk maken. Bij bewijzen gaat het er om de rechter ervan te overtuigen dat het feit, dat bewezen moet worden, door hem als feitelijke grondslag voor zijn beslissing moet worden gebruikt. Bij aannemelijk maken stelt de rechter wat minder zware eisen aan de bewijslevering. Het is voldoende als een partij de rechter er van kan overtuigen dat de aangevoerde feiten waarschijnlijk waar zijn. De rechter is behoorlijk vrij in de beoordeling van een aangedragen bewijs. Zo stelt in Nederland Artikel 152, tweede lid van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering dat de waardering van het bewijs aan het oordeel van de rechter wordt gelaten. Zo kan de rechter in bepaalde gevallen bij de bewijsbeoordeling een bepaalde partij een sterkere positie geven door minder strengen eisen aan het bewijs te stellen. Soms is het de wet zelf die de rechter opdraagt om een zwakkere partij in bescherming te nemen.

In Frankrijk geldt op grond van artikel 1245-8 van de Code civil geldt het principe dat: ‘Le demandeur doit prouver le dommage, le défaut et le lien de causalité entre le défaut et le dommage’. Dat klinkt behoorlijk streng maar het Franse bewijsrecht staat het ook toe om causaliteit en gebrekkigheid vast te stellen op grond van een bewijsvermoeden (une présomption). Als ‘bepaalde feitelijke gegevens ernstige, precieze en met elkaar overeenstemmende aanwijzingen vormen’ (des présomptions graves, précises et concordantes) wordt het aannemelijk geacht dat iets ook daadwerkelijk het geval is. Dit soort bewijsvermoedens kunnen helpen om bij een onzekere causaliteit het bewijsrisico bij de sterkere, rijkere en machtigere partij te leggen. Het Franse bewijsvermoeden is daarmee aanmerkelijk ruimhartiger dan de mogelijkheden die de Nederlandse rechter heeft.

Vooral in het product- en medisch aansprakelijkheidsrecht wordt vaak een beroep op de ‘présomptions graves, précises et concordantes’ gedaan. Neem, bijvoorbeeld, de recente uitspraak in een zaak tegen farmaceutisch bedrijf Sanofi Pasteur. De eiser in deze zaak stelde het bedrijf aansprakelijk, omdat een door hen geproduceerd vaccin tegen hepatitis B de ziekte multiple sclerose (MS) veroorzaakt zou hebben. Om dit aannemelijk te maken werd een beroep op het vermoeden van bewijs gedaan. Er was echter ook Europese regelgeving in het geding: de Richtlijn productaansprakelijkheid was van toepassing. Het Franse Cour de Cassation moest hierover dan ook prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie stellen.

Het gaat dan om de vraag of het ruime Franse bewijsvermoeden ook in het licht van de Richtlijn productaansprakelijkheid toegestaan is? Tot ieders verbazing antwoordde het hof bevestigend (Cour de justice de l’Union européenne, affaire C-621/15. Het lijkt er dus op dat het gebruik van het Franse bewijsvermoeden de zege van het Europese Hof van Justitie krijgt. Dat is des te opmerkelijker, omdat volgens wetenschappelijk onderzoek allerminst vaststaat dat er een causaal verband bestaat tussen het vaccin en MS. Sterker nog, recente studies wijzen zo’n verband van de hand. Het Franse Cour de Cassation heeft bij het voortzetten van de zaak toch nog een besluit ten nadele van de eiser genomen. Hoewel het gebruik van bewijsvermoedens in het algemeen dus wel is toegestaan, past het Cour de Cassation die in dit geval toch niet toe omdat daarmee een te grote inbreuk op het hierboven al geciteerde artikel 1245-8 van de Code civil zou worden gemaakt (Cour de Cassation 18 oktober 2017, ECLI:FR:CCASS:2017:C101101).


donderdag 28 september 2017

SCHEIDEN IN HET FRANSE RECHT

Scheiden is de ontbinding (dissolution) van een huwelijk door rechtelijk vonnis en inschrijving daarvan in het register van de burgerlijke stand. Dit kan bij verzoekschrift (une requête) worden aangevraagd door beide echtgenoten (par consentement mutuel) of door één van de echtgenoten zonder tegenwerping van de ander (sur demande de l’un des époux acceptée par l’autre). In het Nederlandse echtscheidingsrecht (Afdeling 2 Burgerlijk Wetboek Boek 1) bestaat maar één scheidingsgrond: de duurzame ontwrichting van het huwelijk (pour altération définitive du lien conjugal). Deze grond bestaat ook in het Franse echtscheidingsrecht (Titre IV Code civil) maar daar komt dan ook nog de grond schuld (pour faute) van één van de echtgenoten bij.

In tegenstelling tot Nederland kent Frankrijk sinds 1 januari 2017 echter ook de mogelijkheid om buiten de rechter om te scheiden: de zogenoemde ‘divorce sans juge’. De Nederlandse mogelijkheid daartoe de zogenoemde ‘flitsscheiding’ is in 2009 ingetrokken. Een scheiding buiten de rechter om (art. 229-1 e.v. Code civil) is alleen mogelijk voor een scheiding met wederzijdse instemming (divorce par consentement mutuel) en niet voor een scheiding wegens schuld van één van de echtelieden (divorce pour faute). Twee advocaten regelen de scheiding en laten die door een notaris inschrijven. Om de belangen van beide echtgenoten te beschermen moet iedere partij een eigen advocaat hebben. Een eventueel aanwezig minderjarig kind moet ook akkoord gaan met de regeling. Wil die niet akkoord gaan met bijvoorbeeld een voorgestelde omgangsregeling dan moet de scheiding als nog door de rechter worden uitgesproken.


maandag 14 augustus 2017

BEDRIJFSOVERNAME IN HET FRANSE RECHT

Voor de overname van een beursgenoteerde vennootschap (société avec actions cotées en bourse) moet aan een aantal stringente voorwaarden worden voldaan. Deze voorwaarden worden door de ‘Autorité des marchés financiers’ (AMF), de Franse Autoriteit Financiële markten, gesteld. Het gaat dan vooral om de financiële bedrijfsinformatie die openbaar gemaakt moet worden. Ook de vorm waarin een openbaar bod, het zogenoemde ‘offre publique’ gedaan kan worden is aan regels gebonden. Let er wel op een dergelijke overname poging niet te verwarren met de situatie waarbij een vennootschap zelf aandelen uitgeeft om zijn kapitaal te vergroten. Dan wordt nogal verwarrend gesproken van een ‘offre publique à prix ouvert’ of een ‘offre publique à prix fixe’. Ook bij een ‘offre publique de vente’ (O.P.V.) gaat het er niet om een andere vennootschap over te nemen, maar wordt juist geprobeerd de invloed van een paar grote aandeelhouders te verminderen door een deel van hun aandelen op te kopen.

Er bestaan een aantal van elkaar verschillende vormen waarin een ‘offre publique’ tot overname van een bedrijf kan worden gegoten. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om:

  • Een ‘offre publique d’achat’ (O.PA.). Ook wel een ‘offre publique d’acquisition’ genoemd. Hierbij wordt een bod in geld op de aandelen van het over te nemen bedrijf gedaan (paiement en numéraire).
  •  Een ‘offre publique d’échange’ (O.P.E.), waarbij met een aandelenruil geprobeerd wordt een meerderheidsbelang bij het over te nemen bedrijf te verkrijgen (paiement en titres).
  •  Een ‘offre publique mixte’ (O.P.M.), waarbij zowel aandelen worden gekocht als worden geruild (paiement en numéraires et en titres).
  •  Een ‘offre publique alternative’, waarbij de keuze voor aandelen of geld vrij gelaten wordt.
  • Een ‘offre publique de retrait’ (O.P.R.), wordt gedaan in de situatie dat een van de aandeelhouders een belang van minimaal 95% in het bedrijf heeft. Hij kan dan de andere aandeelhouders dwingen hun aandelen af te staan. Een zogenaamde uitrookprocedure of squeeze out.  

In de Europese richtlijn Richtlijn 2004/25/EG betreffende het openbaar overnamebod (la directive sur les offres publiques d’acquisition) worden regels gegeven waaraan de nationale wetgeving van de lidstaten dient te voldoen. In Nederland is dit geregeld in de Wet op het financieel toezicht en in Frankrijk zijn deze regels in de ’Loi relative aux offres publiques d’acquisition’ van 21 maart 2006 neergelegd. De lidstaten moeten een autoriteit of autoriteiten aanwijzen voor toezicht op openbare overnamebiedingen. Net als in Nederland is hierbij in Frankrijk een belangrijke rol weggelegd voor de Autoriteit Financiële Markten (A.F.M.), in Frankrijk de ‘Autorité des marchés financiers’ (AMF).

vrijdag 4 augustus 2017

BODEMVERONTREINIGING ALS VERBORGEN GEBREK

Zowel in Nederland als in Frankrijk is het verstandig om bij de koop van een huis uit te zoeken wat de kwaliteit van de bodem is en of deze geschikt is voor het door u beoogde gebruik. In Nederland is de koper zelfs wettelijk verplicht uit te zoeken of er bodemverontreiniging aanwezig is (de zogenaamde onderzoeksplicht). Ook de verkoper is verplicht de koper te informeren over eventueel aanwezige verontreiniging (de informatieplicht). In het koopcontract wordt dan een standaardclausule opgenomen over de mogelijke aanwezigheid van ondergrondse tanks en bodemverontreiniging. In Frankrijk is dit alles niet verplicht en wordt er lang niet altijd een clausule over de staat van de bodem in een koopovereenkomst opgenomen.

De koper van een verontreinigd onroerend goed kan in Frankrijk natuurlijk altijd naar de rechter stappen, maar dat vergt wel enig geduld. Zo duurde het in de hier behandelde zaak over een oude garage meer dan tien jaar voor er een definitieve uitspraak lag. Bij uitspraak van 29 juni 2017 heeft de civiele kamer van de Franse Hoge Raad, het Cour de cassation (Cour de cassation Ch.civ 3 nr. 16-18087), de verkoper en de makelaar (le vendeur et l’agent immobilier) van de garage veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan de koper (l’acquéreur). De particuliere koper (eigenlijk ‘une SCI familiale’) wilde het gebouw tot een woning verbouwen. De grond van de voormalige garage bleek echter ernstig vervuild te zijn.

Frankrijk kent niet de in het Nederlandse recht gebruikelijke schoongrondverklaring en de koper had het onroerend goed in de koopovereenkomst expliciet geaccepteerd in de staat waarin het verkeerde (en l’état et sans garantie). In de koopovereenkomst was natuurlijk geen beding over de conditie van de bodem opgenomen. De koper stelde de verkoper, makelaar en notaris aansprakelijk voor de schade die hij door de bodemverontreiniging geleden had. Volgens hem moest de verontreiniging als een verborgen gebrek (vice caché) worden aangemerkt.

Het Cour de cassation overwoog dat de koper er niet zonder meer van uit mocht gaan dat de grond onder de door hem gekochte garage schoon was. Het is een feit van algemene bekendheid (dont tout un chacun pouvait avoir connaissance) dat garages een belangrijke bron van bodemverontreiniging zijn. Desondanks mocht ook van de verkopende partij verwacht worden dat ze de koper over de verontreiniging informeerden. Temeer daar er naast de ‘normale’ verontreinigingen ook nog eens vaten met gevaarlijke stoffen begraven waren. Het Cour overwoog: « qu’en sa qualité de dernier exploitant du garage précédemment exploité par son père, M. X... ne pouvait ignorer les vices affectant les locaux et que l'existence des cuves enterrées qui se sont avérées fuyardes n'avait été révélée à l'acquéreur que postérieurement à la vente ».

Naar het oordeel van het Cour de cassation vormden de begraven vaten dus inderdaad een verborgen gebrek waar de verkoper aansprakelijk voor gesteld kon worden. De koper moest een kwart van de schade zelf dragen, omdat hij in elk geval een deel van de verontreiniging van te voren had kunnen verwachten.


Na tien jaar kreeg de bedrogen koper dus eindelijk zijn schadevergoeding. Tien jaar is een lange tijd en niet iedereen heeft het geduld en de financiële middelen om zolang te wachten. Het is dan ook beter om het niet zover te laten komen en er ook bij de koop en verkoop van een Frans pand voor te zorgen dat er garanties over de toestand van de bodem in het koopcontract staan opgenomen.

donderdag 29 juni 2017

GEBRUIKS- EN WOONRECHT IN HET FRANSE RECHT (DROIT D’USAGE ET D’HABITATION)

Het Franse recht kent een bijzonder soort vruchtgebruik dat gebruikt wordt voor de bewoning van een woonhuis: het ‘droit d’usage et d’habitation’. Het wordt gebruikt als een alternatief voor het kopen van een woning en heeft bepaalde fiscale voordelen. Het Nederlands recht kent een dergelijke constructie niet. Het lijkt me dan ook de moeite waard om wat verder in te gaan op dit bijzonder stukje Frans recht.

Daarvoor moeten we eerst even naar het eigendomsrecht kijken. Eigendom is zowel in Frankrijk als Nederland het meest omvattende recht op een zaak (un bien). Op grond van zowel artikel 544 Code civil als Artikel 1 Burgerlijk Wetboek Boek 5 bestaat dit recht uit:
  •         Het vruchtgebruik (droit de jouissance of fructus.
  •         Het gebruiksrecht (l’usus of droit d’usage).
  •         Het beschikkingsrecht (l’abusus of droit de disposition).

Net als in Nederland kunnen ook in het Franse recht deze verschillende onderdelen van het eigendomsrecht over verschillende personen verdeeld worden. Het zo verkregen recht wordt een ‘droit réel démembré’ genoemd. Het gaat als het ware om een van de totale eigendom (la pleine propriété) afgesplitst deel van het eigendomsrecht. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de verdeling tussen het vruchtgebruik (usufruit) en de naakte eigendom (nue-propriété), waarbij de vruchtgebruiker mag profiteren en dus letterlijk de vruchten mag plukken van de eigendom van iemand anders.

Het gebruiks- en woonrecht (droit d’usage et d’habitation) worden in het Franse recht dan als een soort afgezwakte vorm van dit vruchtgebruik aangemerkt. In boek twee van de Code civil is hier zelfs een speciale titel aan gewijd: titre 3:‘de l’usufruit, d’usage et d’habitation’ (artikel 625 e.v. Code civil). Het normale vruchtgebruik is een zakelijk recht (droit réel), maar het ‘droit d’usage et d’habitation’ is een persoonlijk recht (droit personnel) en komt daardoor alleen toe aan de rechthebbende en zijn gezinsleden. Een vruchtgebruiker kan zijn zakelijke recht vervreemden of desnoods weggeven. Allemaal dingen die met een persoonlijk recht niet kunnen worden gedaan.


De drager van het ‘droit d’usage et d’habitation’ moet het normale onderhoud aan de woning zelf uitvoeren, maar groot onderhoud aan het casco komt voor rekening van de eigenaar (artikel 605 Code civil). De ‘taxe d’habitation’ komt voor rekening van de bewoner, maar de ‘taxe foncière’ moet in principe door de eigenaar worden betaald. Het is echter mogelijk om te regelen dat de kosten voor deze laatste belasting worden vergoed door de bewoner.