Niet alle rechtsregels hebben dezelfde verbindende kracht
(force obligatoire). Sommige regels in het burgerlijk recht gelden alleen voor
zover er niets anders is overeengekomen. Dit wordt aanvullend of regelend recht
genoemd. In het Frans: ‘lois supplétives’ of ‘lois interprétatives’. Aanvullend
recht komt vooral in het verbintenissenrecht voor. Zo kunnen partijen bij het
aangaan van een overeenkomst besluiten om dit soort aanvullende regels niet van
toepassing te laten zijn. Een dergelijke afwijking van het normale recht wordt
‘une dérogation conventionelle’ genoemd.
Zo bepaalt artikel 1651 van de Code civil, bijvoorbeeld, dat
de koper zijn aankoop moet betalen op het moment van levering. Partijen kunnen
echter in hun overeenkomst iets heel anders bepalen. Bijvoorbeeld dat voor of
na de levering of in termijnen moet worden betaald. Artikel 1651 geldt dus
alleen als de partijen niets anders hebben afgesproken (en l’absence d’une
volonté contraire des intéressés).
Dit in tegenstelling tot regels van dwingend recht (une
règle impérative), ook wel regels van openbare orde (règles d’ordre public)
genoemd. Dit zijn fundamentele rechtsregels waarvan niet zomaar mag worden afgeweken.
Het gaat dan vooral om regels die van groot belang zijn voor de inrichting en
handhaving van de samenleving. Een rechtshandeling in strijd met de openbare
orde is dan ook nietig.
In het Franse recht wordt hierbij nog een onderscheid
gemaakt tussen ‘l’ordre public de direction’ die zich vooral op het algemeen
belang richt en ‘l’ordre public de protection’ die zich vooral op individuele
belangen richt. Aan de ‘règles d’ordre public de direction’ wordt in de
rechtspraak doorgaan een groter belang gehecht dan aan de regels die zich meer
op de bescherming van een particulier richten.
Of een wetsartikel van openbare orde is wordt vaak in de wet
zelf bepaald. Zo stelt artikel 16, negende lid, van de Code civil dat het
hoofdstuk aangaande het menselijk lichaam van openbare orde is. Het is dus
verboden om in een contract één van je nieren te verkopen. Soms bepaalt een
wetsartikel zelf dat iedere contractsbepaling die in strijd met het artikel is
nietig moet worden geacht te zijn (toute clause contraire doit être réputée non
écrite). En dan is er ook nog de mogelijkheid dat de rechter zelf uitmaakt dat
een regel als dwingend moet worden aangemerkt. Zo heeft het Cour de cassation
in haar uitspraak van 21 januari 1971 bepaald dat de regel dat een wet geen
terugwerkende kracht heeft (la non-rétroactivité van artikel 2 Code civil) van
openbare orde is.
Van dwingend rechtelijke wetsbepalingen mag volgens artikel
6 van de Code civil niet door partijen worden afgeweken. De rechter is dan ook
niet lijdelijk als er een regel van openbare orde van toepassing is. Hij moet
een regel van dwingend recht toepassen of partijen daar in het proces nu een
beroep op doen of niet. Maar dit neemt niet weg dat er omstandigheden zijn
waaronder een ander wetsartikel, de rechter of in een bijzonder geval zelfs de
overheid het mogelijk maken dat een regel van dwingend recht buiten toepassing
wordt gelaten. Er moet dan wel expliciet gemotiveerd worden hoe en waarom er
toch van die regel wordt afgeweken.
Zo moet je, bijvoorbeeld, een minimumleeftijd van achttien
jaar hebben om te mogen trouwen. Deze leeftijdsgrens is van dwingend recht. Maar
artikel 145 van de Code civil maakt het toch mogelijk dat de ‘procureur de la
République’ vrijstelling verleent van deze regel.