Het Franse recht heeft duizenden jaren oude wortels. Het
begint met het Romeinse recht, maar het is vooral de Franse Revolutie van 1789
die een beslissende invloed heeft uitgeoefend. Geïnspireerd door de ideeën van
de filosofen van de Verlichting, vooral Montesquieu en Rousseau, wordt er met
het verleden gebroken. Tijdens het Ancien Régime (de absolute monarchie)
bestond er een standenmaatschappij: de adel (la noblesse), de geestelijkheid
(le clergé) en de derde stand (le tiers-état). Iemands juridische positie was in
die tijd volledig afhankelijk van zijn stand. Beroepen waren ingedeeld in
gilden (une corporation). De Franse Revolutie maakte een einde aan deze op een groepsmaatschappij
gebaseerde rechtsorde om daar een op het individu gebaseerde orde voor in de
plaats te stellen. Onder de leus ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ (liberté,
égalité et fraternité) werd de oude rechtsorde op zijn kop gezet.
Vooral het vrijheids- en gelijkheidsbeginsel (les pincipes
de liberté et d’égalité) gingen een belangrijke rol spelen. In artikel 1 van ‘La Déclaration des Droits de
l’Homme’ van 26 augustus 1789 werd dit als volgt verwoord: ‘les hommes naissent
et demeurent libres et égaux en droit’. Zo worden de vrijheid van
levensopvatting (la liberté d’opinion) en de vrijheid van meningsuiting (la
liberté d’expression) in de artikelen 10 en 11 van deze verklaring vastgelegd
en maken de artikelen 2 en 17 van het recht op eigendom (le droit de propriété)
een ‘droit inviolable et sacré’. Met de Franse Revolutie ontstaan voor het
eerst de zogenoemde subjectieve rechten (les droit subjectifs).
Tijdens het Ancien Régime lag de soevereiniteit (la
souveraineté) bij de koning die wetgever en rechter tegelijk was. Na de Franse
Revolutie kwam die soevereiniteit bij het volk te liggen en werd de
machtenscheiding (la séparation des pouvoirs) uit de Trias politica van
Montesquieu ingevoerd. In deze leer worden de wetgevende (le pouvoir
législatif), de uitvoerende (le pouvoir exécutif) en de rechtsprekende (le pouvoir
judiciaire) functies over verschillende, van elkaar onafhankelijke staatsorganen
verspreid. Deze organen kunnen elkaar dan in evenwicht houden, waardoor
machtsmisbruik zou moeten worden voorkomen.
Het recht beperkte zich gedurende de negentiende eeuw
voornamelijk tot de handhaving van de openbare orde en veiligheid. Zelfs de
werking van het vrijheids- en gelijkheidsbeginsel strekte zich nauwelijks
verder uit dan het overeenkomstenrecht. Economische vrijheid stond voorop en van
het beginsel van broederschap (fraternité) bleef niets meer over. Kortom het moderne
liberalisme (le libéralisme) was geboren en het adagium ‘laisser faire, laisser
passer’ voerde de boventoon.
De industriële revolutie (la Révolution industrielle) maakte
het echter noodzakelijk dat het recht zich ook met de economie ging bemoeien. Er
kwamen wetten om de concurrentie in goede banen te leiden, om de ergste
uitwassen van de industriële vervuiling te beteugelen en om de intellectuele
eigendom (la propriété intellectuelle) te beschermen. Toen de vrouwen in de
Eerste Wereldoorlog gedwongen werden de industriële productie van de
oorlogsmachine draaiende te houden (de mannen zaten immers aan het front)
kwamen ook vrouwenrechten in beeld. Na de oorlog werd het vrouwen kiesrecht (le
droit de vote des femmes) ingevoerd en begon een trage maar gestage juridische
gelijkstelling van de vrouw aan de man.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten