woensdag 2 december 2015

Pacht (le bail à ferme) en erfpacht (le bail emphytéotique) twee heel verschillende dingen

In de wet wordt erfpacht omschreven als ‘een zakelijk recht dat de erfpachter de bevoegdheid geeft eens anders onroerende zaak te houden en te gebruiken’. Wat betekent dat nou eigenlijk? En is erfpacht iets anders dan pacht (bail à ferme)?

Het wezenlijke kenmerk van pacht is dat grond ten behoeve van agrarische doeleinden in gebruik wordt geven. Pacht wordt dan de overeenkomst waarbij de verpachter (le bailleur) zich verbindt aan de pachter (le preneur) een onroerende zaak in gebruik te geven voor de uitoefening van de landbouw. Is daarvan, onder welke benaming dan ook, sprake dan valt de overeenkomst automatisch onder de dwingend rechtelijke bepalingen van het pachtrecht (in Nederland Boek 7, titel 5 van het Burgerlijk wetboek). Voor pacht is een notariële akte niet vereist (en ook niet gebruikelijk), een schriftelijk document volstaat. Het pachtrecht kent een aantal pachtvormen. Er zijn twee hoofd categorieën:
  • Le bail à ferme .De pachter betaalt een pachtsom (le fermage) of betaalt in natura (en nature). Art. 1764 Code civil, L. 411-1 e.v. Code rural.
  • Le bail à métayage/ le bail à colonat partiaire. Deelpacht. De pachter betaalt één derde van de opbrengst van het land aan de verpachter (le métayer of colon partiaire). Een andere verdeling kan ook worden overeengekomen. Art. L. 417-1 e.v. Code rural.
 Door de juiste pachtvorm te kiezen, kan een grondeigenaar weer zelf over de grond beschikken wanneer hij dat wil. Daarnaast kent het pachtrecht een aantal rechtsgronden om bestaande pachtovereenkomsten(un contrat de bail à ferme) te beëindigen of om te zetten in een meer geliberaliseerde vorm. Bij het beëindigen van de pachtovereenkomst kunnen afspraken worden gemaakt over verrekening van productierechten en over door de pachter gedane investeringen. Pacht is dus een andere rechtsfiguur dan erfpacht en gegeven de juridische verschillen zal een jurist doorgaans meteen zien welk type overeenkomst is afgesloten
.
Erfpacht is een zakelijk recht (un droit réel). Dat betekent dat het recht niet verbonden is aan een persoon, maar aan een onroerende zaak (un bien immobilier), meestal een stuk grond. De erfpachter (l’emphytéote) verkrijgt het recht om de grond voor een bepaalde overeengekomen periode te gebruiken en te houden tegen betaling van een geldsom, ook wel de canon (la redevance emphytéotique) genoemd.

Van het recht van erfpacht wordt wel gezegd dat het ‘niets’ voorstelt, omdat de erfpachter niet de (volle) eigendom (la pleine propriété) van de grond in eigen handen heeft en de erfpachter middels de erfpachtvoorwaarden altijd een vinger in de pap heeft. Dat is op zich juist. Echter, in tijden waarin onroerend goed een hoge marktwaarde heeft en het voor een ondernemer (of particulier) te kostbaar is om die marktwaarde of prijs – al dan niet gefinancierd – op het gewenste moment op tafel te leggen, kan door uitgifte van de grond in erfpacht het beoogde gebruik (wonen of bedrijfspand) toch tot stand worden gebracht. En met een koopoptie voor de erfpachter, inhoudende dat de erfpachter op een bepaald moment de volle eigendom alsnog mag kopen en verwerven kan de koper/erfpachter dan toch de onroerende zaak gebruiken alsof hij (al) eigenaar is. Als de eigenaar zover niet wil gaan, biedt een voorkeursrecht van koop soms een goed alternatief. Ingevolge een voorkeursrecht van koop (un droit de préemption) moet de eigenaar in het geval hij de onroerende zaak wil verkopen de erfpachter als eerste in de gelegenheid stellen om de onroerende zaak in eigendom te verwerven. Het is dan wel zaak dat de wijze waarop de koopprijs wordt bepaald in de erfpachtovereenkomst op een passende wijze en zorgvuldig worden beschreven.


Banken verstrekken tegenwoordig vrijwel geen hypothecaire geldleningen (un prêt hypotecaire) meer voor woningen die op particuliere erfpacht staan en zijn ook in het kader van de financiering van een bedrijfsperceel dat in erfpacht wordt verkregen de mogelijkheden beperkt. Reden hiervoor is dat (particuliere) erfpacht veel onzekerheid met zich kan brengen, omdat particulieren na afloop van de overeengekomen periode nog wel eens de erfpachtcanon fors willen verhogen, wat de verkoopbaarheid van een woning niet ten goede komt. Een gemeente heeft deze mogelijkheid ook, maar omdat de gemeente gebonden is aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (les principes de bonne administration), biedt gemeentelijke erfpacht betere garanties dan particuliere erfpacht.

zaterdag 24 oktober 2015

DWINGEND RECHT, AANVULLEND RECHT EN DE OPENBARE ORDE

Niet alle rechtsregels hebben dezelfde verbindende kracht (force obligatoire). Sommige regels in het burgerlijk recht gelden alleen voor zover er niets anders is overeengekomen. Dit wordt aanvullend of regelend recht genoemd. In het Frans: ‘lois supplétives’ of ‘lois interprétatives’. Aanvullend recht komt vooral in het verbintenissenrecht voor. Zo kunnen partijen bij het aangaan van een overeenkomst besluiten om dit soort aanvullende regels niet van toepassing te laten zijn. Een dergelijke afwijking van het normale recht wordt ‘une dérogation conventionelle’ genoemd.

Zo bepaalt artikel 1651 van de Code civil, bijvoorbeeld, dat de koper zijn aankoop moet betalen op het moment van levering. Partijen kunnen echter in hun overeenkomst iets heel anders bepalen. Bijvoorbeeld dat voor of na de levering of in termijnen moet worden betaald. Artikel 1651 geldt dus alleen als de partijen niets anders hebben afgesproken (en l’absence d’une volonté contraire des intéressés).

Dit in tegenstelling tot regels van dwingend recht (une règle impérative), ook wel regels van openbare orde (règles d’ordre public) genoemd. Dit zijn fundamentele rechtsregels waarvan niet zomaar mag worden afgeweken. Het gaat dan vooral om regels die van groot belang zijn voor de inrichting en handhaving van de samenleving. Een rechtshandeling in strijd met de openbare orde is dan ook nietig.

In het Franse recht wordt hierbij nog een onderscheid gemaakt tussen ‘l’ordre public de direction’ die zich vooral op het algemeen belang richt en ‘l’ordre public de protection’ die zich vooral op individuele belangen richt. Aan de ‘règles d’ordre public de direction’ wordt in de rechtspraak doorgaan een groter belang gehecht dan aan de regels die zich meer op de bescherming van een particulier richten.

Of een wetsartikel van openbare orde is wordt vaak in de wet zelf bepaald. Zo stelt artikel 16, negende lid, van de Code civil dat het hoofdstuk aangaande het menselijk lichaam van openbare orde is. Het is dus verboden om in een contract één van je nieren te verkopen. Soms bepaalt een wetsartikel zelf dat iedere contractsbepaling die in strijd met het artikel is nietig moet worden geacht te zijn (toute clause contraire doit être réputée non écrite). En dan is er ook nog de mogelijkheid dat de rechter zelf uitmaakt dat een regel als dwingend moet worden aangemerkt. Zo heeft het Cour de cassation in haar uitspraak van 21 januari 1971 bepaald dat de regel dat een wet geen terugwerkende kracht heeft (la non-rétroactivité van artikel 2 Code civil) van openbare orde is.

Van dwingend rechtelijke wetsbepalingen mag volgens artikel 6 van de Code civil niet door partijen worden afgeweken. De rechter is dan ook niet lijdelijk als er een regel van openbare orde van toepassing is. Hij moet een regel van dwingend recht toepassen of partijen daar in het proces nu een beroep op doen of niet. Maar dit neemt niet weg dat er omstandigheden zijn waaronder een ander wetsartikel, de rechter of in een bijzonder geval zelfs de overheid het mogelijk maken dat een regel van dwingend recht buiten toepassing wordt gelaten. Er moet dan wel expliciet gemotiveerd worden hoe en waarom er toch van die regel wordt afgeweken.


Zo moet je, bijvoorbeeld, een minimumleeftijd van achttien jaar hebben om te mogen trouwen. Deze leeftijdsgrens is van dwingend recht. Maar artikel 145 van de Code civil maakt het toch mogelijk dat de ‘procureur de la République’ vrijstelling verleent van deze regel.

zondag 18 oktober 2015

EEN KORTE GESCHIEDENIS VAN HET FRANSE RECHT

Het Franse recht heeft duizenden jaren oude wortels. Het begint met het Romeinse recht, maar het is vooral de Franse Revolutie van 1789 die een beslissende invloed heeft uitgeoefend. Geïnspireerd door de ideeën van de filosofen van de Verlichting, vooral Montesquieu en Rousseau, wordt er met het verleden gebroken. Tijdens het Ancien Régime (de absolute monarchie) bestond er een standenmaatschappij: de adel (la noblesse), de geestelijkheid (le clergé) en de derde stand (le tiers-état). Iemands juridische positie was in die tijd volledig afhankelijk van zijn stand. Beroepen waren ingedeeld in gilden (une corporation). De Franse Revolutie maakte een einde aan deze op een groepsmaatschappij gebaseerde rechtsorde om daar een op het individu gebaseerde orde voor in de plaats te stellen. Onder de leus ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ (liberté, égalité et fraternité) werd de oude rechtsorde op zijn kop gezet.

Vooral het vrijheids- en gelijkheidsbeginsel (les pincipes de liberté et d’égalité) gingen een belangrijke rol spelen. In artikel 1 van ‘La Déclaration des Droits de l’Homme’ van 26 augustus 1789 werd dit als volgt verwoord: ‘les hommes naissent et demeurent libres et égaux en droit’. Zo worden de vrijheid van levensopvatting (la liberté d’opinion) en de vrijheid van meningsuiting (la liberté d’expression) in de artikelen 10 en 11 van deze verklaring vastgelegd en maken de artikelen 2 en 17 van het recht op eigendom (le droit de propriété) een ‘droit inviolable et sacré’. Met de Franse Revolutie ontstaan voor het eerst de zogenoemde subjectieve rechten (les droit subjectifs).

Tijdens het Ancien Régime lag de soevereiniteit (la souveraineté) bij de koning die wetgever en rechter tegelijk was. Na de Franse Revolutie kwam die soevereiniteit bij het volk te liggen en werd de machtenscheiding (la séparation des pouvoirs) uit de Trias politica van Montesquieu ingevoerd. In deze leer worden de wetgevende (le pouvoir législatif), de uitvoerende (le pouvoir exécutif) en de rechtsprekende (le pouvoir judiciaire) functies over verschillende, van elkaar onafhankelijke staatsorganen verspreid. Deze organen kunnen elkaar dan in evenwicht houden, waardoor machtsmisbruik zou moeten worden voorkomen.

Het recht beperkte zich gedurende de negentiende eeuw voornamelijk tot de handhaving van de openbare orde en veiligheid. Zelfs de werking van het vrijheids- en gelijkheidsbeginsel strekte zich nauwelijks verder uit dan het overeenkomstenrecht. Economische vrijheid stond voorop en van het beginsel van broederschap (fraternité) bleef niets meer over. Kortom het moderne liberalisme (le libéralisme) was geboren en het adagium ‘laisser faire, laisser passer’ voerde de boventoon.

De industriële revolutie (la Révolution industrielle) maakte het echter noodzakelijk dat het recht zich ook met de economie ging bemoeien. Er kwamen wetten om de concurrentie in goede banen te leiden, om de ergste uitwassen van de industriële vervuiling te beteugelen en om de intellectuele eigendom (la propriété intellectuelle) te beschermen. Toen de vrouwen in de Eerste Wereldoorlog gedwongen werden de industriële productie van de oorlogsmachine draaiende te houden (de mannen zaten immers aan het front) kwamen ook vrouwenrechten in beeld. Na de oorlog werd het vrouwen kiesrecht (le droit de vote des femmes) ingevoerd en begon een trage maar gestage juridische gelijkstelling van de vrouw aan de man.

Na de Tweede Wereldoorlog komt de uitbreiding van het recht pas goed op gang. Sociale zekerheid, milieuverontreiniging en ethische kwesties als abortus, bio-industrie en euthanasie gaan deel uitmaken van het juridische domein. Ook het internationale recht komt nu pas echt van de grond. De Verenigde Naties (l’Organisation des Nations Unies) wordt al in 1945 opgericht en in 1957 worden de eerste Europese organisaties gevormd. Vooral het Europese recht (le droit européen) zal een enorme invloed op het Franse recht gaan uitoefenen. Desondanks blijft het Franse recht tot op de dag van vandaag zijn eigen specifieke kenmerken behouden

donderdag 8 oktober 2015

De JAF een speciale rechter voor familiezaken

Ieder Tribunal de grande instance (TGI) heeft minimaal één ‘juge aux affaires familiales’, of te wel JAF (art. L. 312-1 Code de l’organisation judiciaire). Vroeger werd de JAF: ‘juge aux affaires matrimoniales’ genoemd. Zoals de naam al aan geeft is deze rechter belast met familiezaken zoals bijvoorbeeld:
  • Scheidingszaken, inclusief scheiding van tafel en bed (séparation de corps) en alle geschillen die na een scheiding (l’après-divorce) kunnen opkomen. In dit soort zaken is bijstand door een advocaat verplicht.
  • Zaken over huwelijksgeschillen (crises entre les époux).
  •  De uitoefening van het ouderlijk gezag (exercise de l’autorité parentale). Hij kan in dit kader bijvoorbeeld een ouder het ouderlijke gezag ontnemen (supprimer l’exercice de l’autorité parentale), de verblijfplaats van het kind aanwijzen (fixer la résidence) of het bezoekrecht regelen (le droit de visite).
  • Zaken over het bezoekrecht van grootouders (le droit de visiste des grands-parents) en andere personen die een emotionele band met het kind hebben. In dit soort zaken is bijstand door een advocaat verplicht.
  •  Naamswijziging (modification du prénom).
  • Alimentatiezaken (pensions alimentairs). De JAF stelt de alimentatie en de hoogte daarvan vast bij een scheiding. Maar niet alleen bij een scheiding, ook behoeftige ouders (des parents démuni financièrement) kunnen een alimentatie van hun meerder jarige kinderen verlangen.
  • Herzieningsverzoeken van onderhoudsplichten (une prestation compensatoire). De JAF kan op verzoek beslissen over de vaststelling (mise en place), verhoging (augmentation) of vermindering (diminution) van een onderhoudsplicht (pension alimentaire).
  •  Zaken over de bijdrage aan de gezinskosten (les charges du mariage).
  • Verhaal van verpleegkosten van onvermogenden op hun kinderen en kleinkinderen (recours des hospices et hôpitaux).

dinsdag 18 augustus 2015

DE GERECHTEN UIT DE ‘JURIDICTIONS PÉNALES’ VAN DE ‘L’ORDRE JUDICIARIE’

De strafrechtstak van de ‘l’ordre judiciaire’ heeft dan weer zijn eigen stelsel van gerechten. De ‘juridictions répressives’ (ook wel juridictions pénales) richten zich alleen op het strafrecht (le droit pénal). Het gaat bijvoorbeeld om ‘le Tribunal de police’ (de politierechter) voor overtredingen (contraventions), ‘le Tribunal correctionnel’ (de strafrechtbank) voor ‘normale’ misdrijven (délits), ‘la Cour d’assises’ (het Hof van Assisen) juryrechtspraak voor zware misdrijven (crimes). De ‘Juge des enfants’, ‘le Tribunal pour enfants’ en ‘la Cour d’assises pour mineurs’ vormen een schaduwstelsel van kinderrechters.

Ook de strafrechtstak kent weer gespecialiseerde gerechten. Zo bestaat er een eigen stelsel van gerechten voor minderjarigen bestaande uit:
  • Le Juge des enfants (de kinderrechter voor lichte vergrijpen);
  • Le Tribunal pour enfants (de kinderrechter);
  • La Cour d’assises pour mineurs (juryrechtspraak voor kinderen.


EEN OVERZICHT VAN DE ‘JURIDICTIONS PÉNALES’

Soort gerecht
Welke zaken?
Hoger beroep?
Opmerkingen
Juridiction de proximité
Kleine strafrechtelijke zaken.
Bij de meeste zaken is hoger beroep uitgesloten. Cassatie is wel mogelijk bij het ‘Cour de cassation’.
Maakt deel uit van ‘le Tribunal d’instance’. Een advocaat is niet verplicht.
Tribunal de police
Voor strafrechtelijke zaken waar een lichte straf op staat. Kan alleen straffen als boetes en taakstraffen opleggen.
Hoger beroep bij het ‘Cour d’appel’. Hoger beroep is niet mogelijk voor zaken waar een lichte boete is opgelegd. Cassatie bij het ‘Cour de cassation’.
Is te vinden in de hoofdstad van het arrondissement. Een advocaat is niet verplicht.
Tribunal correctionel
Voor strafrechtelijke zaken waar een gevangenisstraf van minder dan tien jaar op staat.
Hoger beroep bij het ‘Cour d’appel’. Cassatie bij het ‘Cour de cassation’.
Maakt deel uit van de TGI en is te vinden in de hoofdstad van het arrondissement of departement. Een advocaat is niet verplicht.
Cour d’assises
Voor strafrechtelijke zaken waar een gevangenisstraf van meer dan tien jaar op staat.
Bij een veroordeling kan hoger beroep worden aangetekend bij een ander ‘Cour d’assises’. Cassatie bij het ‘Cour de cassation’.
Bij een ‘Cour d’appel’ of een TGI. Meestal in de hoofdstad van een departement. Voor de verdachte is een advocaat verplicht. Voor de civiele partij (het slachtoffer) niet.
Cour d’appel
Behandelt in hoger beroep zaken van het TI, TGI, Conseil de prud’hommes, tribunal de commerce, tribunal paritaire des baux ruraux, tribunal des affaires de Sécurité sociale, tribunal de police en tribunal correctionel.
Cassatie bij het ‘Cour de cassation’.
Is te vinden in een aantal departementshoofdsteden. Een procureur en advocaat zijn verplicht.
Cour de cassation
Behandelt cassatie zaken.
Hoogste nationale instantie. Er kan eventueel internationaal beroep worden aangetekend.
Is te vinden in Parijs. Een gespecialiseerd en daartoe speciaal aangestelde advocaat bij het ‘Cour de cassation’ en het ‘Conseil d’État’ is verplicht.


vrijdag 7 augustus 2015

DE GERECHTEN UIT DE ‘JURIDICTIONS CIVILES’ VAN DE ‘L’ORDRE JUDICIAIRE’

De ‘juridictions civiles’ spreken recht in geschillen tussen natuurlijke personen en rechtspersonen (individus et personnes morales). Bepaalde geschillen worden aan een bijzondere rechtbank (des tribunaux d’exception) zoals ‘le tribunal de prud’hommes’ en le tribunal de commerce’ overgelaten. Als de wet niet een bijzonder gerecht aanwijst is de rechtbank van het commune recht (le droit commun) ‘le tribunal de grande instance’ bevoegd. Hoger beroep is mogelijk bij het gerechtshof (la cour d’appel) en bovenaan de piramide kan cassatie worden aangetekend bij wat in Frankrijk ‘la Cour de cassation’ en bij ons de Hoge Raad wordt genoemd.

De civiele tak van de l’ordre judiciaire kent de volgende gerechten:

· La Juridiction de proximité (het buurtgerecht);
· Le Tribunal d’instance (vergelijkbaar met onze kantonrechter);
· Le Tribunal de grande instance (vergelijkbaar met onze rechtbanken);
· La Cour d’appel (de beroepsrechter, vergelijkbaar met onze gerechtshoven);
· La Cour de cassation (de cassatierechter, vergelijkbaar met onze Hoge Raad).

Maar daar blijft het niet bij. Er bestaan ook nog een groot aantal gespecialiseerde rechtbanken die elk een exclusieve bevoegdheid kennen over hun eigen stukje van het civiele recht. Hoger beroep en cassatie kunnen dan wel weer bij de normale instanties (la Cour d’appel en la Cour de cassation) worden aangetekend. De civiele tak van de ‘l’ordre judiciaire’ kent de volgende 'tribunaux d'exception':

· Le Tribunal de commerce (de rechtbank voor koophandel geschillen);
· Le Conseil de prud’hommes (het arbeidsgerecht);
· Le Tribunal paritaire des baux ruraux (de pachtrechter);
· Le Tribunal d’affaires de sécurité sociale (de rechter voor geschillen over sociale verzekeringen).

Het is dus lang niet altijd even makkelijk om het juiste soort gerecht voor uw geschil te vinden. Hieronder een overzichtje om één en ander wat overzichtelijker te maken.

Soort gerecht
Welke zaken?
Hoger beroep?
Opmerkingen
Juridiction de proximité
Civiel rechterlijke zaken tot € 4.000, met uitzondering van zaken die exclusief aan een andere rechtbank zijn toegewezen. Kleine strafrechtelijke zaken.
Bij de meeste zaken is hoger beroep uitgesloten. Cassatie is wel mogelijk bij het ‘Cour de cassation’.
Maakt deel uit van ‘le Tribunal d’instance’. Een advocaat is niet verplicht.
Tribunal d’instance (TI)
Civiel rechterlijke zaken tot € 10.000, met uitzondering van zaken die exclusief aan een andere rechtbank zijn toegewezen. Exclusief bevoegd in huur- en voogdijzaken.
Hoger beroep bij het ‘Cour d’appel’ voor zaken met een inzet van meer dan € 4.000. Cassatie bij het ‘Cour de cassation’.
Is te vinden in de hoofdstad van ieder arrondissement. Een advocaat is niet verplicht.
Tribunal de grande instance (TGI)
Civiel rechterlijke zaken van meer dan € 10.000, met uitzondering van zaken die exclusief aan een andere rechtbank zijn toegewezen. Exclusief bevoegd in zaken van het personen- en familierecht.
Hoger beroep bij het ‘Cour d’appel’ voor zaken met een inzet van meer dan € 4.000. Cassatie bij het ‘Cour de cassation’.
Is te vinden in de hoofdstad van het arrondissement of departement. In de meeste zaken is een advocaat verplicht.
Tribunal de commerce
Voor alle koophandel zaken en zaken tussen bedrijven.
Hoger beroep bij het ‘Cour d’appel’ voor zaken met een inzet van meer dan € 4.000. Cassatie bij het ‘Cour de cassation’.
Is te vinden in de hoofdstad van het arrondissement of departement. Een advocaat is niet verplicht.
Conseil de prud’hommes
Voor alle arbeidsrechtelijke zaken
Hoger beroep bij het ‘Cour d’appel’ voor zaken met een inzet van meer dan € 4.000. Cassatie bij het ‘Cour de cassation’.
Is te vinden in de hoofdstad van het arrondissement of departement. Een advocaat is niet verplicht.
Tribunal paritaire des baux ruraux
Voor alle agrarische pacht zaken.
Hoger beroep bij het ‘Cour d’appel’. Cassatie bij het ‘Cour de cassation’.
Is te vinden in de hoofdstad van het arrondissement. Een advocaat is niet verplicht.
Tribunal des affaires de Sécurité sociale
Voor alle zaken die betrekking hebben op de sociale verzekeringen.
Hoger beroep bij het ‘Cour d’appel’. Cassatie bij het ‘Cour de cassation’.
Is te vinden in de hoofdstad van het arrondissement. Een advocaat is niet verplicht.

woensdag 29 juli 2015

RUIMTELIJKE ORDENING IN FRANKRIJK

De Franse overheid is ook in de ruimtelijke ordening sterk centralistisch georganiseerd. Sinds enige decennia wordt echter een voorzichtige poging ondernomen om de ruimtelijke ordening en planning wat meer te decentraliseren. Zo is op 13 december 2000 ‘La loi no 2000-1208 relative à la solidarité et au renouvellement urbains’, ook wel de SRU of de ’Loi Gayssot’ genoemd, aangenomen. De invoering van deze solidariteits- en stedelijke vernieuwingswet was één van de grootste wetgevende hervormingen op het gebied van ruimtelijke ordening in de afgelopen twintig jaar. De wet heeft betrekking op de ruimtelijke ordening, de werking van de gemeenschappelijke eigendom en de bescherming van potentiële kopers en  huurders.

Frankrijk kent een sterke bestuurlijke gelaagdheid. Aan de ene kant van het spectrum bevindt zich de centrale overheid. Aan de andere kant de gemeenten (communes). Daartussen bevinden zich nog twee direct gekozen bestuurslagen de’ régions’ en de ‘départements’. Iedere région bestaat uit meerdere départements. Tussen de bestuurlijke lagen département en commune bevinden zich nog twee administratieve lagen: het arrondisement en het kanton.

Het intergemeentelijk niveau kent de planfiguur ‘Schéma de Cohérence Territorial ‘(SCOT). Dit betreft een planfiguur met een definitie van de grootste belangen en doelen voor de duurzame ontwikkeling van een intergemeentelijk gebied. Een SCOT heeft betrekking op gebieden van verschillende gemeenten, met het oog op de ruimtelijke ordening op een schaal waarop een integrale economische ontwikkelingsstrategie van toepassing is alsmede het creëren van kaders voor 107 gemeentelijke bestemmingsplannen. Deze figuur is vergelijkbaar met de structuurvisies in Nederland.
Een SCOT bestaat uit drie onderdelen:

- Rapport de Présentation. Hierin wordt de uitgangspositie vastgelegd en wordt een analyse van de omgevingsbehoefte en ontwikkelingsbehoefte voor de regio uiteengezet.
 - Plan d’aménagement et de développement durable (PADD). In dit document worden door de lokale politici de strategische doelen (milieu, huisvesting, mobiliteit en economie) gedefinieerd voor de komende 10 tot 20 jaar.
 - Document d'orientations générales (DOG). Dit bevat een nader specificatie van de implementatie van de doelen uit de PADD.

Een SCOT heeft geen plankaart. Dit was wel het geval bij de voorganger van de SCOT, de SDAU, maar is geschrapt vanwege het ontbreken van een duidelijk onderscheidend detailniveau in die plankaart ten opzichte van de gemeentelijke plankaart. Vanuit de verschillende lagen van de overheid vindt men naarmate men lager in de bestuurlijke hiërarchie komt steeds concretere plannen met als meest gedetailleerde niveau een soort bestemmingsplan; ‘Plan Local d’urbanisme’ (verder: PLU). Dergelijke plannen zijn, net als in Nederland, digitaal beschikbaar.

maandag 20 juli 2015

DE BESTUURSRECHTBANKEN VAN DE ‘L’ORDRE ADMINISTRATIVE'

De Franse overheid heeft zeer veel macht, meer macht dan bijvoorbeeld de Nederlandse overheid. Een overheid die bovendien ook nog wel eens van kwade trouw (une Administration de mauvaise foi) wil zijn. Dit maakt een goed functionerend systeem van rechtsbescherming tegen deze overheid zeker geen overbodige luxe.

In Frankrijk is de rechterlijke macht verdeeld in twee los van elkaar staande takken. Frankrijk kent namelijk twee verschillende juridische ordes. Aan de ene kant de gewone gerechten van de ‘l’ordre judiciare’ en aan de andere kant de bestuursgerechten van de ‘l’ordre administratif’. Dit verschil stamt nog uit de tijd van de Franse Revolutie. Het toenmalige bestuur vertrouwde het beroep tegen zijn besluiten niet toe aan een onafhankelijk rechter en zorgde ervoor rechter in eigen zaak te worden (l’administration-juge). Tegenwoordig bestaat er een onafhankelijk systeem van bestuursgerechten dat geen banden meer heeft met het bestuur
.
De gerechten van de ‘l’ordre administrative’ behandelen alle zaken waarbij de overheid (l’État), een aan de overheid verbonden instelling (un organisme assimilé) of zelfs een staatsbedrijf (une entreprise publique) een rol spelen. Daarnaast zijn ze ook bevoegd in ambtenaren zaken. De Franse bestuursgerechten zijn net als hun Nederlandse tegenhangers een stuk minder formeel dan de normale gerechten en ze zijn, in tegenstelling tot hun Nederlandse tegenhangers, gratis.
Het stelstel van bestuursrechtbanken behandelt dus zaken tussen burgers (administré) en het openbaar bestuur (Administration) en bestaat uit:
  • Le Tribunal administratif;
  • La Cour administative d’appel;
  • Le Conseil d’État.

zondag 12 juli 2015

DE RIJDENDEN RECHTER IN FRANKRIJK

Net als in Nederland kwamen ook in Frankrijk veel kleine (consumenten) geschillen nooit bij de rechter. Een juridische procedure is eng en bovendien duur. Om het recht ook voor de gewone man en voor kleinere zaken bereikbaar te maken is in Frankrijk de ‘juge de proximité’ in het leven geroepen. Dit gerecht is bedoeld om kleine geschillen uit het dagelijks leven makkelijk, snel en goedkoop (gratis) te kunnen beslechten.  Zo is de rijdende rechter in Frankrijk een officieel onderdeel van de rechterlijke macht geworden.

De buurtrechter is geen professionele rechter, maar een lekenrechter (un assesseur), vaak een oud rechter, een notaris of een deurwaarder, die dicht bij de burger kleine geschillen beslecht. Hij wordt voor een periode van zeven jaar bij presidentieel decreet benoemd.

Hij is bevoegd in civiele zaken tot een bedrag van € 4.000 (art. L231-3 Code de l’organisation judiciaire). Het gaat dan vooral om burenruzies (les conflits de voisinage), kleine consumenten zaken (les petits litiges de consommation), aanmaningen (les injonctions de payer), wanprestaties (les injonctions de faire) en alimentatiezaken (les contestations de paiemement direct d’une pension alimentaire). Tegen een uitspraak kan geen hoger beroep worden aangetekend. Het is wel mogelijk om in cassatie te gaan.

'Le juge de proximité' speelt ook bij kleine overtredingen een rol. In het strafrecht is hij bevoegd voor overtredingen van de eerste vier categorieën (contraventions des quatres premières classes; art 521 Code procédure pénale). Met toestemming van de voorzitter van de rechtbank kan hij ook transactievoorstellen (une composition pénale) van de officier van justitie valideren tot en met overtredingen van de vijfde categorie. Gevangenisstraffen kunnen echter niet door een ‘juge de proximité’ worden opgelegd.

Een zaak kan zonder veel administratieve poeha aanhangig worden gemaakt via een internet formulier: Cerfa nr. 12285*02 (www.vosdroits.justice.gouv.fr onder formulaires pour les particuliers). Ook een advocaat is niet verplicht, maar mag natuurlijk altijd. Op grond van art. L231-5 Code d’organisaton judiciaire kan deze rechter op eigen initiatief of op verzoek van één van de partijen een in zijn ogen te ingewikkelde zaak doorverwijzen naar een ‘tribunal d’instance’. Dit ‘tribunal’ heeft wat meer juridische ervaring maar blijft formeel nog steeds een ‘juge de proximité’.

maandag 6 juli 2015

COMPÉTENCE D'ATTRIBUTION ET COMPÉTENCE TERRITORIALE

Niet ieder gerecht kan zomaar over alle soorten zaken beslissen. Een rechtszaak moet voor de rechtbank gebracht worden die beschikt over de juiste juridische bevoegdheid (la compétence of l’aptitude légale) om in die bepaalde zaak recht te spreken. Bevoegdheid wordt in het recht ook wel competentie genoemd. Er bestaan twee soorten competentie:
  • De absolute competentie (la compétence d’attribution) en
  • De relatieve competentie (la compétence territoriale).
De absolute competentie (la compétence d’attribution) bepaalt welk type rechtbank (inhoudelijk) bevoegd is om van een bepaald type zaak kennis te nemen (le droit de connaître d’une affaire). De wet (la loi) verleent of attribueert aan een gerecht de bij dat gerecht behorende competentie. Zo is bijvoorbeeld ‘le tribunal de grande instance’ bevoegd om scheidingszaken te behandelen en moet je voor het aanvechten van een ontslag bij ‘le Conseil de prud’hommes’ zijn.

De relatieve competentie (la compétence territoriale) gaat over de vraag in welke plaats een bepaalde zaak aanhangig moet worden gemaakt. Moet u zijn bij het gerecht van uw woonplaats of moet u misschien naar het gerecht van de woonplaats van uw tegenstander?

maandag 29 juni 2015

DE JUISTE RECHTBANK VOOR HET JUISTE GESCHIL

Het is in Nederland al lastig om de juiste rechtbank voor uw geschil te vinden, in Frankrijk wordt dat nog een stuk lastiger. De verschillende soorten Franse gerechten kunnen in twee families worden ingedeeld. Aan de ene kant de gewone gerechten van de ‘l’ordre judiciare’ en aan de andere kant de bestuursgerechten van de ‘l’ordre administratif’.

In Frankrijk wordt dus een strikt onderscheid gemaakt tussen het stelsel van gewone rechtbanken en het stelsel van bestuursrechtbanken (l’ordre administratif). De gerechten (juridictions) van de ‘l’ordre judiciaire’ worden weer opgedeeld in de:
  • Juridictions civiles (civiele rechtbanken) en de
  • Juridictions répressives (strafrechtbanken).
De ‘juridictions civiles’ spreken recht in geschillen tussen natuurlijke personen en rechtspersonen (individus et personnes morales). Bepaalde geschillen worden aan een bijzondere rechtbank (des tribunaux d’exception) zoals ‘le tribunal de prud’hommes’ en le tribunal de commerce’ overgelaten. Als de wet niet een bijzonder gerecht aanwijst is de rechtbank van het commune recht (le droit commun) ‘le tribunal de grande instance’ bevoegd. Hoger beroep is mogelijk bij het gerechtshof (la Cour d’appel) en bovenaan de piramide kan cassatie worden aangetekend bij wat in Frankrijk ‘la Cour de cassation’ en bij ons de Hoge Raad wordt genoemd.

De ‘juridictions répressives’ (ook wel juridictions pénales) richten zich op het strafrecht (le droit pénal). Het gaat bijvoorbeeld om ‘le tribunal de police’ (de politierechter) voor overtredingen (contraventions), ‘le tribunal correctionnel’ (de strafrechtbank) voor ‘normale’ misdrijven (délits) en ‘la Cour d’assises’ (het Hof van Assisen) juryrechtspraak voor zware misdrijven (crimes). De ‘juge des enfants’, ‘le tribunal pour enfants’ en ‘la cour d’assises pour mineurs’ vormen een schaduwstelsel van minderjarige criminelen.

Het stelstel van bestuursrechtbanken (l’ordre administratif) staat helemaal los van de hierboven genoemde gerechten bestaat uit:
  • Le Tribunal administratif;
  • La Cour administrative d’appel;
  • Le Conseil d’État.
'Le Tribunal administratif' is het gerecht in eerste aanleg (juridiction de premier degré) van het stelsel van bestuursrecht gerechten (l’ordre administratif). Hier worden zaken tussen burgers (administrés) en het bestuur (l’Administration) behandeld. Het gaat dan om dingen als bouwvergunningen, bestemmingsplannen en sociale zekerheid. Hoger beroep staat open op het ‘Cour administrative d’appel’ en cassatie (pourvoi) kan worden ingesteld bij de ‘Conseil d’État’ (de Franse Raad van State). 

Naast de rechtssprekende taak hebben de bestuursgerechten ook een bestuurs- en raadgevende functie (attributions administatives et consultatieves). Zo kan de prefect (le préfet) juridisch advies van een ‘tribunal administratif’ inwinnen (art. R. 212-1 Code de justice administrative).







dinsdag 23 juni 2015

BRONNEN VAN HET FRANSE RECHT

De informatiebronnen waaruit het geldend recht in Frankrijk gekend kan worden zijn niet erg verschillend van wat in Nederland gebruikelijk is. Er geldt in Frankrijk echter wel een strikte hiërarchie van rechtsbronnen (la hiérarchie des normes en droit Français), waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen formele en informele bronnen. Formele rechtsbronnen hebben, het woord zegt het al, een formele herkomst. Ze zijn via een bepaalde procedure tot stand gekomen en werken direct door in de nationale rechtsorde. De formele rechtsbronnen (les sources formelles) zijn:
  1. De verdragen (les traités internationaux);
  2. Het constitutionele blok (le bloc de Constitutionnalité);
  3. De wetten in formele zin (les lois);
  4. De Algemene Maatregelen van Bestuur (les règlements d’administation publique) en
  5. De algemeen verbindende voorschriften in materiële zin (les préscriptions).

Ad 1 Verdragen (les traités internationaux)
Een overeenkomst tussen staten of tussen staten en een internationale organisatie. In Frankrijk geldt het monisme (la position moniste) waarbij verdragen geacht worden boven het nationale recht te staan en integraal deel uit te maken van het rechtssysteem.

Ad 2 Het constitutionele blok (le bloc de Constitutionnalité)
De Franse Grondwet (la Constitution) en het geheel van constitutionele regels waarin de fundamentele principes van de Franse staat worden vastgelegd. In Nederland beperkt dit zich tot het Statuut van het Koninkrijk en de Grondwet, maar in Frankrijk worden er wat meer regelingen tot de basis van het Franse recht gerekend. Het ‘Bloc de constitutionnalité’ bestaat uit: ‘La Constitution de 1958’, ‘la déclaration des droits de l’homme et du citoyen de 1789, ‘le préambule de la Constitution du 27 octobre 1946’, de ‘principes fondamentaux reconnus par les lois de la République’ en ‘les principes particulièrement nécessaires à notre temps’.

Ad 3 De wetten in formele zin (les lois)
Een op grond van artikel 34 van de Constitution door het parlement (‘L’Assemblée nationale’ en ‘le Sénat’) ondertekende regelgeving. Het Nederlanse equivalent hiervan is de in artikel 81 en verder van de Grondwet omschreven wetgevingsprocedure.

Ad 4 Algemene Maatregelen van Bestuur (les règlements d’aminstration publique)
Een door de uitvoerende macht (le pouvoir exécutif) uitgevaardigde regeling van algemene strekking niet zijnde een wet in formele zin (artikel 37 Constitution). Er wordt onderscheid gemaakt tussen uitvoeringsregelingen (un règlement dit d’application, ook wel un décret d’apllication) en zelfstandige regelingen (un règlement dit autonome, ook wel un décret autonome). Een ‘décret d’application’ strekt ter uitvoering van een bestaande wet (une loi) en een ‘décret autonome’ vloeit voort uit de eigen bevoegdheid van een autoriteit (édictes dans le cadre des compétences propres de l’exécutif).

Ad 5 Voorschriften (Préscriptions)
Een algemene regeling van een tot wetgeving bevoegd orgaan dat verder strekkende rechtsgevolgen heeft dan een interne regeling van dat orgaan.

Informele rechtsbronnen zijn niet via een bepaalde officiële procedure tot stand gekomen. Ze zijn wat diffuser en hebben een meer indirecte, maar daarom nog niet onbelangrijke, op de rechtsorde. In Frankrijk worden als informele rechtsbronnen (les sources informelles) aangemerkt:
  1. De algemene rechtsbeginselen (les principes généraux du droit);
  2. Het gewoonterecht (le droit coutumier);
  3. De rechtspraak (la jurisprudence);
  4. De rechtsleer (la doctrine).
Ad 1 Algemene rechtsbeginselen (les principes généraux du droit)
Dit zijn ongeschreven algemene principes die aan rechtsnormen in het algemeen of aan een bepaald deel van het recht ten grondslag liggen. Het zijn de grondgedachten die achter ieder wettelijk voorschrift en iedere rechterlijke uitspraak te vinden zijn. Bijvoorbeeld het verbod op terugwerkende kracht van wetten (la non-rétroactivité des actes administratives), het idee van de vrije markt (la liberté du commerce et de l’industrie) en het beginsel geen straf zonder schuld.

Ad 2 Gewoonterecht (le droit coutumier)
Dit is recht dat blijkens een bestaand gebruik in de samenleving als zodanig wordt geaccepteerd. Van een gewoonterecht (une coutume) is alleen sprake als het bestaand (ancien), bestendig (constant), algemeen gebruikt (général) en algemeen bekend (notoire) is.

Ad 3 Rechtspraak (la jurisprudence)
De ‘jurisprudence’ is een door de rechtsspraak gevormde en gebruikte rechtsleer die een constante lijn in de rechterlijke uitspraken vormt. De ‘jurisprudence’ vormt sinds de Franse Revolutie geen bindende bron van recht meer, maar speelt nog steeds een belangrijke rol in de rechterlijke beslissingen.

Ad 4 De rechtsleer (la doctrine)
De doctrine speelt een belangrijke rol in het Franse rechtssysteem. Franse hoogleraren in de rechten komen vaak van dezelfde staatsscholen (École nationale de la magistrature) als rechters en onderhouden dikwijls nauwe contacten met die rechters. De annotaties bij uitspraken worden dan ook nauwlettend in de gaten gehouden en kunnen dan de in de uitspraak zelf grotendeels ontbrekende motivering vervangen.

maandag 8 juni 2015

LA COUR DE CASSATION

Opperste gerechtshof van Frankrijk in burgerlijke en strafzaken. Vergelijkbaar met de Hoge Raad der Nederlanden Gezeteld (siègé) in Parijs. Geen beroepsinstantie, controleert alleen of de rechters in eerste aanleg (les juges du fond of juges du fait) het recht hebben geschonden, met de feitelijke toedracht van het geval mag het Hof zich niet inlaten. De arresten hebben door een vaak zeer korte motivering een wat apodictisch en syllogistisch karakter. Ze worden in de derde persoon enkelvoud geschreven en verwijzen zelden naar andere uitspraken. De Nederlandse Hoge Raad motiveert zijn arresten doorgaans uitvoeriger.

Beroep kan worden ingediend via een cassatieberoep (la Cour de cassation est saisie par un pourvoi). De beroepstermijn bedraagt doorgaans twee maanden(le délai de recours), in strafzaken geldt een termijn van vijf dagen. Een beroep heeft doorgaans geen schorsende werking (suspensif) en staat dus de executie van het aangevallen vonnis niet in de weg.

Partijen moeten zich laten vertegenwoordigen door speciale cassatieadvocaten (avocats au Conseil d’État et à la Cour de cassation, ook wel avocats aux Conseils genoemd).
Het Hof wordt verdeeld in zes Kamers (Chambres):

- Een kamer (la Première chambre civile) gericht op het personenrecht, het verbintenissenrecht, het verzekeringsrecht en het internationaal privaatrecht.
- De tweede civiele kamer richt zich op het scheidingsrecht, de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad en de civiele procedure.
- De derde civiele kamer ziet op zakelijke rechten, eigendom en stadsplanning.
- Dan zijn er nog een sociale kamer (la chambre sociale),
- Een economische en financiële kamer (la chambre économique et financière) en
- Een strafkamer (la chambre criminelle).

Vernietiging van een uitspraak is alleen mogelijk wegens schennis van de wet (la violation de la loi), verzuim van vormen (la violation des formes) of schennis van het recht (le manque de base légale).

Sinds 1991 kunnen door lagere rechters prejudiciële vragen aan het Hof worden gesteld. (art. L. 151-1 Code de l’organisation judiciaire).

Het ‘Cour de cassation’ maakt een jaarlijks rapport voor de Minister van Justitie (le garde des Sceaux). In dit ‘Rapport annuel de la Cour de cassation’ worden aanbevelingen (constatations) gegeven voor aanpassing van de wetgeving.