Of je nu een Franse of een Nederlandse rechter bent één van
de eerste problemen waar je bij een aan je voorgelegd geschil tegen aanloopt is
de vraag of wat de ruziënde partijen beweren wel waar is. Meestal doen de
ruziemakers totaal tegenstrijdige beweringen. Kortom hoe zit het met het bewijs
van de gestelde feiten. Dit probleem valt in twee deelproblemen uiteen. Aan de
ene kant de vraag wie wat moet bewijzen, of te wel aan wie de bewijslast (la
charge de la preuve) toekomt. En aan de andere kant de vraag hoe je iets kan
aantonen, of te wel de vraag wat als bewijsmiddel (un moyen de preuve) kan
gelden
.
De tweede vraag laten we hier nu even voor wat hij is, maar
op de eerste vraag gaan we wat dieper in. Het is in zowel het Nederlandse als
het Franse recht een algemene regel dat wie iets stelt dat ook moet bewijzen. Wie
stelt, bewijst. Maar is dat echt altijd zo?
Nee, de wet en zo nu en dan ook de rechter zelf kan soms
uitgaan van een rechtsvermoeden (une présomption) of zelfs van een rechtsfictie
(une fiction). Artikel 1349 van de
Code civil zegt het als volgt: ‘les présomptions sont des conséquences que la
loi ou le magistrat tire d’un fait connu à un fait inconnu’. Uit een
bekend feit, een bepaalde getrouwde vrouw brengt een baby ter wereld, wordt een
onbekend feit, de man van die vrouw is de vader, afgeleid en meteen voor waar
aangenomen.
In het civiele recht wordt daarbij onderscheid gemaakt
tussen een wettelijk rechtsvermoeden (présomption légale/présomption de droit)
en een feitelijk rechtsvermoeden (présomption de fait/présomption du fait de
l’homme). Van een feitelijk vermoeden is sprake in een situatie waarbij een
rechter uit een vaststaand feit een daar logischer wijs uit voortvloeiend ander
feit voor bewezen verklaard. Als vast staat dat iemand in Parijs was, kan hij
niet tegelijkertijd in Amsterdam zijn. Een soort indirect bewijs dat altijd
herroepen kan worden met een tegenbewijs (preuve contraire). Het gaat meestal
om een geval waarbij het haast onmogelijk is om direct bewijs te leveren.
Er bestaan naast deze rechterlijke rechtsvermoedens heel wat
wettelijke vermoedens. Behalve het hierboven genoemde vermoeden van vaderschap
van de echtgenoot (présomption de paternité du mari) van artikel 312 Code civil,
bijvoorbeeld ook nog het vermoeden van goede trouw (présomption de bonne foi)
van artikel 2268 Code civil en het vermoeden van eigendom van de bezitter van
een goed (présomption de propriété) van artikel 751 Code civil. Een wettelijk
rechtsvermoeden is zo een door de wetgever gecreëerd bewijsvoordeel voor de
partij die zich op de door de wet als normaal beschouwde situatie kan beroepen.
Hij hoeft niets te bewijzen, het wordt voor waar aangenomen. Als de tegenpartij
het daar niet mee eens is moet hij tegenbewijs (preuve contraire) leveren om
het tegendeel aan te tonen. Er is hier dus sprake van een omkering van de
bewijslast (renversement de la charge de la preuve) ten nadele van degene die
tegen het rechtsvermoeden in wil gaan.
De meeste wettelijke rechtsvermoedens worden als ‘présomptions
simples’ aangemerkt. Een met tegenbewijs weerlegbaar rechtsvermoeden. Maar er
bestaan ook onweerlegbare rechtsvermoedens (présomptions irréfragables). De meest bekende is de ‘présomption de la
vérité de la chose jugé’. Een in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk
vonnis, een vonnis waar geen rechtsmiddelen meer tegen openstaan, wordt als onweerlegbaar
aangemerkt. Zelfs als er een rechterlijke dwaling (un ereur judiciaire) is
begaan blijft de wetgever ervan uitgaan dat de uitspraak waar is.
Een onweerlegbaar rechtsvermoeden wordt al bijna een rechtsfictie
(une fiction). Ook ficties spelen een belangrijke rol in het civiele recht. Bij
een fictie doet de wetgever alsof. Het is een wetstechnisch hulpmiddel (un
artifice de technique juridique) om een eigenlijk feitelijk andere situatie
toch binnen de werkingssfeer van een wetsartikel te laten vallen. Bijvoorbeeld bij
vertegenwoordiging (représentation), waarbij van de juridische fictie wordt
uitgegaan dat de vertegenwoordigde zelf een rechtshandeling aangaat en daar
door gebonden wordt. Of bij al die gevallen waarin de wet uitgaat van
terugwerkende kracht (retroactivité), waarbij er juridisch van wordt uitgegaan
dat iets wat vandaag gebeurd is al een poosje geleden heeft plaatsgevonden.
Een juridische fictie moet altijd een wettelijke basis
hebben. Alleen de wetgever zelf mag liegen en dan ook alleen nog maar op een
moment dat iedereen weet dat hij liegt. Zo ook de grootste rechtsfictie van
allemaal: ‘iedereen wordt geacht de wet te kennen’ (nul n’est censé ignorer la
loi).