donderdag 4 februari 2016

RECHTSVERMOEDENS EN FICTIES IN HET FRANSE CIVIELE RECHT

Of je nu een Franse of een Nederlandse rechter bent één van de eerste problemen waar je bij een aan je voorgelegd geschil tegen aanloopt is de vraag of wat de ruziënde partijen beweren wel waar is. Meestal doen de ruziemakers totaal tegenstrijdige beweringen. Kortom hoe zit het met het bewijs van de gestelde feiten. Dit probleem valt in twee deelproblemen uiteen. Aan de ene kant de vraag wie wat moet bewijzen, of te wel aan wie de bewijslast (la charge de la preuve) toekomt. En aan de andere kant de vraag hoe je iets kan aantonen, of te wel de vraag wat als bewijsmiddel (un moyen de preuve) kan gelden
.
De tweede vraag laten we hier nu even voor wat hij is, maar op de eerste vraag gaan we wat dieper in. Het is in zowel het Nederlandse als het Franse recht een algemene regel dat wie iets stelt dat ook moet bewijzen. Wie stelt, bewijst. Maar is dat echt altijd zo?

Nee, de wet en zo nu en dan ook de rechter zelf kan soms uitgaan van een rechtsvermoeden (une présomption) of zelfs van een rechtsfictie (une fiction). Artikel 1349 van de Code civil zegt het als volgt: ‘les présomptions sont des conséquences que la loi ou le magistrat tire d’un fait connu à un fait inconnu’. Uit een bekend feit, een bepaalde getrouwde vrouw brengt een baby ter wereld, wordt een onbekend feit, de man van die vrouw is de vader, afgeleid en meteen voor waar aangenomen.
In het civiele recht wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen een wettelijk rechtsvermoeden (présomption légale/présomption de droit) en een feitelijk rechtsvermoeden (présomption de fait/présomption du fait de l’homme). Van een feitelijk vermoeden is sprake in een situatie waarbij een rechter uit een vaststaand feit een daar logischer wijs uit voortvloeiend ander feit voor bewezen verklaard. Als vast staat dat iemand in Parijs was, kan hij niet tegelijkertijd in Amsterdam zijn. Een soort indirect bewijs dat altijd herroepen kan worden met een tegenbewijs (preuve contraire). Het gaat meestal om een geval waarbij het haast onmogelijk is om direct bewijs te leveren.

Er bestaan naast deze rechterlijke rechtsvermoedens heel wat wettelijke vermoedens. Behalve het hierboven genoemde vermoeden van vaderschap van de echtgenoot (présomption de paternité du mari) van artikel 312 Code civil, bijvoorbeeld ook nog het vermoeden van goede trouw (présomption de bonne foi) van artikel 2268 Code civil en het vermoeden van eigendom van de bezitter van een goed (présomption de propriété) van artikel 751 Code civil. Een wettelijk rechtsvermoeden is zo een door de wetgever gecreëerd bewijsvoordeel voor de partij die zich op de door de wet als normaal beschouwde situatie kan beroepen. Hij hoeft niets te bewijzen, het wordt voor waar aangenomen. Als de tegenpartij het daar niet mee eens is moet hij tegenbewijs (preuve contraire) leveren om het tegendeel aan te tonen. Er is hier dus sprake van een omkering van de bewijslast (renversement de la charge de la preuve) ten nadele van degene die tegen het rechtsvermoeden in wil gaan.
De meeste wettelijke rechtsvermoedens worden als ‘présomptions simples’ aangemerkt. Een met tegenbewijs weerlegbaar rechtsvermoeden. Maar er bestaan ook onweerlegbare rechtsvermoedens (présomptions irréfragables). De meest bekende is de ‘présomption de la vérité de la chose jugé’. Een in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk vonnis, een vonnis waar geen rechtsmiddelen meer tegen openstaan, wordt als onweerlegbaar aangemerkt. Zelfs als er een rechterlijke dwaling (un ereur judiciaire) is begaan blijft de wetgever ervan uitgaan dat de uitspraak waar is.

Een onweerlegbaar rechtsvermoeden wordt al bijna een rechtsfictie (une fiction). Ook ficties spelen een belangrijke rol in het civiele recht. Bij een fictie doet de wetgever alsof. Het is een wetstechnisch hulpmiddel (un artifice de technique juridique) om een eigenlijk feitelijk andere situatie toch binnen de werkingssfeer van een wetsartikel te laten vallen. Bijvoorbeeld bij vertegenwoordiging (représentation), waarbij van de juridische fictie wordt uitgegaan dat de vertegenwoordigde zelf een rechtshandeling aangaat en daar door gebonden wordt. Of bij al die gevallen waarin de wet uitgaat van terugwerkende kracht (retroactivité), waarbij er juridisch van wordt uitgegaan dat iets wat vandaag gebeurd is al een poosje geleden heeft plaatsgevonden.


Een juridische fictie moet altijd een wettelijke basis hebben. Alleen de wetgever zelf mag liegen en dan ook alleen nog maar op een moment dat iedereen weet dat hij liegt. Zo ook de grootste rechtsfictie van allemaal: ‘iedereen wordt geacht de wet te kennen’ (nul n’est censé ignorer la loi).