In het recht wordt onderscheid gemaakt tussen bewijzen en
aannemelijk maken. Bij bewijzen gaat het er om de rechter ervan te overtuigen
dat het feit, dat bewezen moet worden, door hem als feitelijke grondslag voor
zijn beslissing moet worden gebruikt. Bij aannemelijk maken stelt de rechter
wat minder zware eisen aan de bewijslevering. Het is voldoende als een partij
de rechter er van kan overtuigen dat de aangevoerde feiten waarschijnlijk waar
zijn. De rechter is behoorlijk vrij in de beoordeling van een aangedragen
bewijs. Zo stelt in Nederland Artikel 152, tweede lid van het Wetboek van
burgerlijke rechtsvordering dat de waardering van het bewijs aan het oordeel
van de rechter wordt gelaten. Zo kan de rechter in bepaalde gevallen bij de
bewijsbeoordeling een bepaalde partij een sterkere positie geven door minder
strengen eisen aan het bewijs te stellen. Soms is het de wet zelf die de
rechter opdraagt om een zwakkere partij in bescherming te nemen.
In Frankrijk geldt op grond van artikel 1245-8 van de Code civil geldt het principe dat: ‘Le
demandeur doit prouver le dommage, le défaut et le lien de causalité entre le
défaut et le dommage’. Dat klinkt
behoorlijk streng maar het Franse bewijsrecht staat het ook toe om
causaliteit en gebrekkigheid vast te stellen op grond van een bewijsvermoeden
(une présomption). Als ‘bepaalde feitelijke gegevens ernstige, precieze en met
elkaar overeenstemmende aanwijzingen vormen’ (des présomptions graves, précises
et concordantes) wordt het aannemelijk geacht dat iets ook daadwerkelijk het
geval is. Dit soort bewijsvermoedens kunnen helpen om bij een onzekere
causaliteit het bewijsrisico bij de sterkere, rijkere en machtigere partij te leggen.
Het Franse bewijsvermoeden is daarmee aanmerkelijk ruimhartiger dan de
mogelijkheden die de Nederlandse rechter heeft.
Vooral in het product- en medisch aansprakelijkheidsrecht
wordt vaak een beroep op de ‘présomptions graves, précises et concordantes’
gedaan. Neem, bijvoorbeeld, de recente uitspraak in een zaak tegen
farmaceutisch bedrijf Sanofi Pasteur. De eiser in deze zaak stelde het bedrijf
aansprakelijk, omdat een door hen geproduceerd vaccin tegen hepatitis B de
ziekte multiple sclerose (MS) veroorzaakt zou hebben. Om dit aannemelijk te
maken werd een beroep op het vermoeden van bewijs gedaan. Er was echter ook
Europese regelgeving in het geding: de Richtlijn productaansprakelijkheid was
van toepassing. Het Franse Cour de Cassation moest hierover dan ook prejudiciële
vragen aan het Europese Hof van Justitie stellen.
Het gaat dan om de vraag of het ruime Franse bewijsvermoeden
ook in het licht van de Richtlijn productaansprakelijkheid toegestaan is? Tot
ieders verbazing antwoordde het hof bevestigend (Cour
de justice de l’Union européenne, affaire C-621/15. Het lijkt er dus op
dat het gebruik van het Franse bewijsvermoeden de zege van het Europese Hof van
Justitie krijgt. Dat is des te opmerkelijker, omdat volgens wetenschappelijk
onderzoek allerminst vaststaat dat er een causaal verband bestaat tussen het
vaccin en MS. Sterker nog, recente studies wijzen zo’n verband van de hand. Het
Franse Cour de Cassation heeft bij het voortzetten van de zaak toch nog een besluit
ten nadele van de eiser genomen. Hoewel het gebruik van bewijsvermoedens in het
algemeen dus wel is toegestaan, past het Cour de Cassation die in dit geval toch
niet toe omdat daarmee een te grote inbreuk op het hierboven al geciteerde artikel 1245-8 van de Code civil zou worden gemaakt (Cour
de Cassation 18 oktober 2017, ECLI:FR:CCASS:2017:C101101).
Geen opmerkingen:
Een reactie posten