zaterdag 21 mei 2016

HET BEGIN VAN EEN CIVIELE ZAAK IN HET FRANSE PROCESRECHT

Er bestaan in het Franse civiele recht drie manieren om voor een rechter te worden gedaagd (convocation en justice):
·        - Une asssignation (dagvaarding);
·       -  Une déclaration au greffe (verklaring ter griffie);
·        - Une requête (verzoekschrift).

De ‘déclaration au greffe’
Dit is de makkelijkste manier om in Frankrijk een rechtszaak te beginnen. Het Nederlandse recht kent een dergelijke procedure niet, maar in het Frankrijk kunnen eenvoudige zaken bij ‘la juridiction de proximité’, ‘le tribunal d’instance’ of ‘le conseil de prud’hommes’ begonnen worden met een simpele en kosteloze verklaring ter griffie, de zogenoemde: ‘déclaration au greffe’ (Art. 843 en 844 Code de procédure civile). Hiermee kunnen de kosten van een officiële dagvaarding (assignation) worden voorkomen. Een dergelijke verklaring kan zowel mondeling als schriftelijk bij de griffie van het desbetreffende gerecht worden ingediend. Het Franse ministerie van Justitie stelt hiertoe een aantal online standaardformulieren ter beschikking. Deze formulieren zijn niet verplicht, een brief waarin een en ander uiteengezet wordt kan ook. Het belang van de desbetreffende zaak mag de € 4.000 niet overtreffen (art. 847-1 Code de procédure civile). Voor hogere bedragen moet door een gerechtsdeurwaarder (un huissier de justice) een dagvaarding (assignation) worden uitgevaardigd. Samen met de ‘déclaration au greffe’ moeten meteen alle op de zaak betrekking hebbende stukken (les pièces justificatives), zoals contracten, facturen en dergelijke worden overlegd.

Het ‘requête’
Ook dit is een relatief eenvoudige manier om een rechtszaak te beginnen. Met een verzoekschrift (Art. 60 Code de procédure civile) kan echter alleen een procedure zonder wederpartij (une procédure unilatérale), dus niet op tegenspraak (une demande en justice en matière gracieuce) worden begonnen. In tegenstelling tot een dagvaarding waarbij wel sprake is van een wederpartij. In het Franse recht kan het daarbij ook gaan om een situatie waarbij de verzoeker zijn wederpartij niet wil waarschuwen. Bijvoorbeeld bij het uitvaardigen van een dwangbevel (une requête en injonction de payer) of het leggen van een conservatoir beslag (une saisie-conservatoire), waarbij het soms verstandiger is om de wanbetaler (le mauvais payeur) in het ongewisse te laten van wat hem boven het hoofd hangt. Ook de ‘juge aux affaires familiales’ (Jaf) kan met een verzoekschrift benaderd worden. Zo kunnen zaken als een verandering in de alimentatie (pension alimentaire) relatief eenvoudig geregeld worden. Voor het indienen van een ‘requête’ wordt doorgaans een formulier gebruikt. Dit zelfde formulier bevat ook ruimte voor het rechterlijk oordeel en wordt later als vonnis, bij een verzoekprocedure beschikking (ordonnance sur requête) genoemd, teruggezonden.

De ‘assignation’
In Nederland is de dagvaarding de normale start van een civiele procedure die niet met een verzoekschrift begint (Artikel 111 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). In Frankrijk kan een procedure ook beginnen met een verklaring ter griffie (déclaration au greffe). Alleen voor zaken die een belang vertegenwoordigen van meer dan €4.000 kan niet volstaan worden met een ‘déclaration au greffe’. Een dergelijke civiele procedure start (une convocation en justice) doordat een gerechtsdeurwaarder (huissier de justice) op verzoek van een eiser (un demandeur) een deurwaardersexploot betekent (le signification) aan de gedaagde persoon (le défendeur) (art.55 Code de procédure civile). Zo’n dagvaarding wordt vanwege de blauwe kleur trouwens ook wel ‘le papier bleu’ genoemd. Een dagvaarding bevat behalve de personalia van de eiser, gedaagde en deurwaarder ook de plaats en het moment waarop de gedaagde in rechte moet verschijnen. In Frankrijk geldt dit laatste alleen voor de ‘Tribunal d’instance’ en de ‘Tribunal de commerce’, voor het ‘Tribunal de grande instance’ wordt later een datum voor de zitting vastgesteld (art. 755 Code de procédure civile). Als het om een spoedeisende zaak gaat kan de ‘président du tribunal de grande instance’ toestemming geven om ‘une assignation à jour fixe’ te laten betekenen (art. 788 Code de procédure civile).Ook moeten het onderwerp van de eis (l’objet de la demande), een uiteenzetting van de middelen (un exposé des moyens) en een heldere conclusie deel uit maken van de dagvaarding. 

donderdag 4 februari 2016

RECHTSVERMOEDENS EN FICTIES IN HET FRANSE CIVIELE RECHT

Of je nu een Franse of een Nederlandse rechter bent één van de eerste problemen waar je bij een aan je voorgelegd geschil tegen aanloopt is de vraag of wat de ruziënde partijen beweren wel waar is. Meestal doen de ruziemakers totaal tegenstrijdige beweringen. Kortom hoe zit het met het bewijs van de gestelde feiten. Dit probleem valt in twee deelproblemen uiteen. Aan de ene kant de vraag wie wat moet bewijzen, of te wel aan wie de bewijslast (la charge de la preuve) toekomt. En aan de andere kant de vraag hoe je iets kan aantonen, of te wel de vraag wat als bewijsmiddel (un moyen de preuve) kan gelden
.
De tweede vraag laten we hier nu even voor wat hij is, maar op de eerste vraag gaan we wat dieper in. Het is in zowel het Nederlandse als het Franse recht een algemene regel dat wie iets stelt dat ook moet bewijzen. Wie stelt, bewijst. Maar is dat echt altijd zo?

Nee, de wet en zo nu en dan ook de rechter zelf kan soms uitgaan van een rechtsvermoeden (une présomption) of zelfs van een rechtsfictie (une fiction). Artikel 1349 van de Code civil zegt het als volgt: ‘les présomptions sont des conséquences que la loi ou le magistrat tire d’un fait connu à un fait inconnu’. Uit een bekend feit, een bepaalde getrouwde vrouw brengt een baby ter wereld, wordt een onbekend feit, de man van die vrouw is de vader, afgeleid en meteen voor waar aangenomen.
In het civiele recht wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen een wettelijk rechtsvermoeden (présomption légale/présomption de droit) en een feitelijk rechtsvermoeden (présomption de fait/présomption du fait de l’homme). Van een feitelijk vermoeden is sprake in een situatie waarbij een rechter uit een vaststaand feit een daar logischer wijs uit voortvloeiend ander feit voor bewezen verklaard. Als vast staat dat iemand in Parijs was, kan hij niet tegelijkertijd in Amsterdam zijn. Een soort indirect bewijs dat altijd herroepen kan worden met een tegenbewijs (preuve contraire). Het gaat meestal om een geval waarbij het haast onmogelijk is om direct bewijs te leveren.

Er bestaan naast deze rechterlijke rechtsvermoedens heel wat wettelijke vermoedens. Behalve het hierboven genoemde vermoeden van vaderschap van de echtgenoot (présomption de paternité du mari) van artikel 312 Code civil, bijvoorbeeld ook nog het vermoeden van goede trouw (présomption de bonne foi) van artikel 2268 Code civil en het vermoeden van eigendom van de bezitter van een goed (présomption de propriété) van artikel 751 Code civil. Een wettelijk rechtsvermoeden is zo een door de wetgever gecreëerd bewijsvoordeel voor de partij die zich op de door de wet als normaal beschouwde situatie kan beroepen. Hij hoeft niets te bewijzen, het wordt voor waar aangenomen. Als de tegenpartij het daar niet mee eens is moet hij tegenbewijs (preuve contraire) leveren om het tegendeel aan te tonen. Er is hier dus sprake van een omkering van de bewijslast (renversement de la charge de la preuve) ten nadele van degene die tegen het rechtsvermoeden in wil gaan.
De meeste wettelijke rechtsvermoedens worden als ‘présomptions simples’ aangemerkt. Een met tegenbewijs weerlegbaar rechtsvermoeden. Maar er bestaan ook onweerlegbare rechtsvermoedens (présomptions irréfragables). De meest bekende is de ‘présomption de la vérité de la chose jugé’. Een in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk vonnis, een vonnis waar geen rechtsmiddelen meer tegen openstaan, wordt als onweerlegbaar aangemerkt. Zelfs als er een rechterlijke dwaling (un ereur judiciaire) is begaan blijft de wetgever ervan uitgaan dat de uitspraak waar is.

Een onweerlegbaar rechtsvermoeden wordt al bijna een rechtsfictie (une fiction). Ook ficties spelen een belangrijke rol in het civiele recht. Bij een fictie doet de wetgever alsof. Het is een wetstechnisch hulpmiddel (un artifice de technique juridique) om een eigenlijk feitelijk andere situatie toch binnen de werkingssfeer van een wetsartikel te laten vallen. Bijvoorbeeld bij vertegenwoordiging (représentation), waarbij van de juridische fictie wordt uitgegaan dat de vertegenwoordigde zelf een rechtshandeling aangaat en daar door gebonden wordt. Of bij al die gevallen waarin de wet uitgaat van terugwerkende kracht (retroactivité), waarbij er juridisch van wordt uitgegaan dat iets wat vandaag gebeurd is al een poosje geleden heeft plaatsgevonden.


Een juridische fictie moet altijd een wettelijke basis hebben. Alleen de wetgever zelf mag liegen en dan ook alleen nog maar op een moment dat iedereen weet dat hij liegt. Zo ook de grootste rechtsfictie van allemaal: ‘iedereen wordt geacht de wet te kennen’ (nul n’est censé ignorer la loi).

maandag 25 januari 2016

Biens incorporels (onlichamelijke zaken)

Goederen (biens) zijn alle dingen die je in eigendom kunt hebben. In het Romeinse recht werd daarbij al onderscheid gemaakt tussen lichamelijke zaken ‘res corporales’ en onlichamelijke zaken ‘res incorporales’. De lichamelijke zaken waren echte materiële dingen. Tastbare zaken die kunnen worden aangeraakt. Bij de onlichamelijke zaken ging het om het recht op die materiële dingen. Er lag dus altijd een fysiek voorwerp ten grondslag aan een onlichamelijke zaak. Je kon alleen een materieel lichamelijk ding bezitten. In het moderne recht is dat niet langer het geval.

Tegenwoordig gaat het om de vraag of een ding een economische waarde heeft. Dus vooral om de vraag of iets op geld waardeerbaar is (ayant une valeur pécuniaire). Onlichamelijke goederen zijn dan rechten en vorderingen met een economische waarde. ‘Biens incorporels’ zijn dus eigenlijk een vorm van intellectuele eigendom (propriété intellectuelle). Zoals bijvoorbeeld een geldvordering (une créance), gebruiksrechten (droits d’usage) of een auteursrecht (un droit d’auteur). De eigendom van een onlichamelijke zaak is dus onafhankelijk van het al dan niet bestaan van een achterliggend fysiek en tastbaar voorwerp (une chose matérielle et tangible). Dat neemt niet weg dat het heel goed mogelijk is dat een ‘biens incorporels’ zijn grond vindt in een tastbaar object.

In het Nederlandse recht wordt de term zaak gereserveerd voor lichamelijke zaken. Voor wat in het Franse recht ‘biens incorporels’ wordt genoemd gebruiken Nederlandse juristen het woord vermogensrecht. In het Nederlandse recht wordt de term onlichamelijke zaak gelet op de definitie van het begrip zaak in 3:2 BW dan ook niet meer gebruikt. Er wordt echter weldegelijk een strikt onderscheid gemaakt tussen tastbare objecten, zaken in de zin van artikel 3:2 BW, en de genoemde vermogensrechten. Beiden zijn vermogensbestanddelen en worden juridisch als goederen (biens) aangemerkt.

woensdag 2 december 2015

Pacht (le bail à ferme) en erfpacht (le bail emphytéotique) twee heel verschillende dingen

In de wet wordt erfpacht omschreven als ‘een zakelijk recht dat de erfpachter de bevoegdheid geeft eens anders onroerende zaak te houden en te gebruiken’. Wat betekent dat nou eigenlijk? En is erfpacht iets anders dan pacht (bail à ferme)?

Het wezenlijke kenmerk van pacht is dat grond ten behoeve van agrarische doeleinden in gebruik wordt geven. Pacht wordt dan de overeenkomst waarbij de verpachter (le bailleur) zich verbindt aan de pachter (le preneur) een onroerende zaak in gebruik te geven voor de uitoefening van de landbouw. Is daarvan, onder welke benaming dan ook, sprake dan valt de overeenkomst automatisch onder de dwingend rechtelijke bepalingen van het pachtrecht (in Nederland Boek 7, titel 5 van het Burgerlijk wetboek). Voor pacht is een notariële akte niet vereist (en ook niet gebruikelijk), een schriftelijk document volstaat. Het pachtrecht kent een aantal pachtvormen. Er zijn twee hoofd categorieën:
  • Le bail à ferme .De pachter betaalt een pachtsom (le fermage) of betaalt in natura (en nature). Art. 1764 Code civil, L. 411-1 e.v. Code rural.
  • Le bail à métayage/ le bail à colonat partiaire. Deelpacht. De pachter betaalt één derde van de opbrengst van het land aan de verpachter (le métayer of colon partiaire). Een andere verdeling kan ook worden overeengekomen. Art. L. 417-1 e.v. Code rural.
 Door de juiste pachtvorm te kiezen, kan een grondeigenaar weer zelf over de grond beschikken wanneer hij dat wil. Daarnaast kent het pachtrecht een aantal rechtsgronden om bestaande pachtovereenkomsten(un contrat de bail à ferme) te beëindigen of om te zetten in een meer geliberaliseerde vorm. Bij het beëindigen van de pachtovereenkomst kunnen afspraken worden gemaakt over verrekening van productierechten en over door de pachter gedane investeringen. Pacht is dus een andere rechtsfiguur dan erfpacht en gegeven de juridische verschillen zal een jurist doorgaans meteen zien welk type overeenkomst is afgesloten
.
Erfpacht is een zakelijk recht (un droit réel). Dat betekent dat het recht niet verbonden is aan een persoon, maar aan een onroerende zaak (un bien immobilier), meestal een stuk grond. De erfpachter (l’emphytéote) verkrijgt het recht om de grond voor een bepaalde overeengekomen periode te gebruiken en te houden tegen betaling van een geldsom, ook wel de canon (la redevance emphytéotique) genoemd.

Van het recht van erfpacht wordt wel gezegd dat het ‘niets’ voorstelt, omdat de erfpachter niet de (volle) eigendom (la pleine propriété) van de grond in eigen handen heeft en de erfpachter middels de erfpachtvoorwaarden altijd een vinger in de pap heeft. Dat is op zich juist. Echter, in tijden waarin onroerend goed een hoge marktwaarde heeft en het voor een ondernemer (of particulier) te kostbaar is om die marktwaarde of prijs – al dan niet gefinancierd – op het gewenste moment op tafel te leggen, kan door uitgifte van de grond in erfpacht het beoogde gebruik (wonen of bedrijfspand) toch tot stand worden gebracht. En met een koopoptie voor de erfpachter, inhoudende dat de erfpachter op een bepaald moment de volle eigendom alsnog mag kopen en verwerven kan de koper/erfpachter dan toch de onroerende zaak gebruiken alsof hij (al) eigenaar is. Als de eigenaar zover niet wil gaan, biedt een voorkeursrecht van koop soms een goed alternatief. Ingevolge een voorkeursrecht van koop (un droit de préemption) moet de eigenaar in het geval hij de onroerende zaak wil verkopen de erfpachter als eerste in de gelegenheid stellen om de onroerende zaak in eigendom te verwerven. Het is dan wel zaak dat de wijze waarop de koopprijs wordt bepaald in de erfpachtovereenkomst op een passende wijze en zorgvuldig worden beschreven.


Banken verstrekken tegenwoordig vrijwel geen hypothecaire geldleningen (un prêt hypotecaire) meer voor woningen die op particuliere erfpacht staan en zijn ook in het kader van de financiering van een bedrijfsperceel dat in erfpacht wordt verkregen de mogelijkheden beperkt. Reden hiervoor is dat (particuliere) erfpacht veel onzekerheid met zich kan brengen, omdat particulieren na afloop van de overeengekomen periode nog wel eens de erfpachtcanon fors willen verhogen, wat de verkoopbaarheid van een woning niet ten goede komt. Een gemeente heeft deze mogelijkheid ook, maar omdat de gemeente gebonden is aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (les principes de bonne administration), biedt gemeentelijke erfpacht betere garanties dan particuliere erfpacht.

zaterdag 24 oktober 2015

DWINGEND RECHT, AANVULLEND RECHT EN DE OPENBARE ORDE

Niet alle rechtsregels hebben dezelfde verbindende kracht (force obligatoire). Sommige regels in het burgerlijk recht gelden alleen voor zover er niets anders is overeengekomen. Dit wordt aanvullend of regelend recht genoemd. In het Frans: ‘lois supplétives’ of ‘lois interprétatives’. Aanvullend recht komt vooral in het verbintenissenrecht voor. Zo kunnen partijen bij het aangaan van een overeenkomst besluiten om dit soort aanvullende regels niet van toepassing te laten zijn. Een dergelijke afwijking van het normale recht wordt ‘une dérogation conventionelle’ genoemd.

Zo bepaalt artikel 1651 van de Code civil, bijvoorbeeld, dat de koper zijn aankoop moet betalen op het moment van levering. Partijen kunnen echter in hun overeenkomst iets heel anders bepalen. Bijvoorbeeld dat voor of na de levering of in termijnen moet worden betaald. Artikel 1651 geldt dus alleen als de partijen niets anders hebben afgesproken (en l’absence d’une volonté contraire des intéressés).

Dit in tegenstelling tot regels van dwingend recht (une règle impérative), ook wel regels van openbare orde (règles d’ordre public) genoemd. Dit zijn fundamentele rechtsregels waarvan niet zomaar mag worden afgeweken. Het gaat dan vooral om regels die van groot belang zijn voor de inrichting en handhaving van de samenleving. Een rechtshandeling in strijd met de openbare orde is dan ook nietig.

In het Franse recht wordt hierbij nog een onderscheid gemaakt tussen ‘l’ordre public de direction’ die zich vooral op het algemeen belang richt en ‘l’ordre public de protection’ die zich vooral op individuele belangen richt. Aan de ‘règles d’ordre public de direction’ wordt in de rechtspraak doorgaan een groter belang gehecht dan aan de regels die zich meer op de bescherming van een particulier richten.

Of een wetsartikel van openbare orde is wordt vaak in de wet zelf bepaald. Zo stelt artikel 16, negende lid, van de Code civil dat het hoofdstuk aangaande het menselijk lichaam van openbare orde is. Het is dus verboden om in een contract één van je nieren te verkopen. Soms bepaalt een wetsartikel zelf dat iedere contractsbepaling die in strijd met het artikel is nietig moet worden geacht te zijn (toute clause contraire doit être réputée non écrite). En dan is er ook nog de mogelijkheid dat de rechter zelf uitmaakt dat een regel als dwingend moet worden aangemerkt. Zo heeft het Cour de cassation in haar uitspraak van 21 januari 1971 bepaald dat de regel dat een wet geen terugwerkende kracht heeft (la non-rétroactivité van artikel 2 Code civil) van openbare orde is.

Van dwingend rechtelijke wetsbepalingen mag volgens artikel 6 van de Code civil niet door partijen worden afgeweken. De rechter is dan ook niet lijdelijk als er een regel van openbare orde van toepassing is. Hij moet een regel van dwingend recht toepassen of partijen daar in het proces nu een beroep op doen of niet. Maar dit neemt niet weg dat er omstandigheden zijn waaronder een ander wetsartikel, de rechter of in een bijzonder geval zelfs de overheid het mogelijk maken dat een regel van dwingend recht buiten toepassing wordt gelaten. Er moet dan wel expliciet gemotiveerd worden hoe en waarom er toch van die regel wordt afgeweken.


Zo moet je, bijvoorbeeld, een minimumleeftijd van achttien jaar hebben om te mogen trouwen. Deze leeftijdsgrens is van dwingend recht. Maar artikel 145 van de Code civil maakt het toch mogelijk dat de ‘procureur de la République’ vrijstelling verleent van deze regel.

zondag 18 oktober 2015

EEN KORTE GESCHIEDENIS VAN HET FRANSE RECHT

Het Franse recht heeft duizenden jaren oude wortels. Het begint met het Romeinse recht, maar het is vooral de Franse Revolutie van 1789 die een beslissende invloed heeft uitgeoefend. Geïnspireerd door de ideeën van de filosofen van de Verlichting, vooral Montesquieu en Rousseau, wordt er met het verleden gebroken. Tijdens het Ancien Régime (de absolute monarchie) bestond er een standenmaatschappij: de adel (la noblesse), de geestelijkheid (le clergé) en de derde stand (le tiers-état). Iemands juridische positie was in die tijd volledig afhankelijk van zijn stand. Beroepen waren ingedeeld in gilden (une corporation). De Franse Revolutie maakte een einde aan deze op een groepsmaatschappij gebaseerde rechtsorde om daar een op het individu gebaseerde orde voor in de plaats te stellen. Onder de leus ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ (liberté, égalité et fraternité) werd de oude rechtsorde op zijn kop gezet.

Vooral het vrijheids- en gelijkheidsbeginsel (les pincipes de liberté et d’égalité) gingen een belangrijke rol spelen. In artikel 1 van ‘La Déclaration des Droits de l’Homme’ van 26 augustus 1789 werd dit als volgt verwoord: ‘les hommes naissent et demeurent libres et égaux en droit’. Zo worden de vrijheid van levensopvatting (la liberté d’opinion) en de vrijheid van meningsuiting (la liberté d’expression) in de artikelen 10 en 11 van deze verklaring vastgelegd en maken de artikelen 2 en 17 van het recht op eigendom (le droit de propriété) een ‘droit inviolable et sacré’. Met de Franse Revolutie ontstaan voor het eerst de zogenoemde subjectieve rechten (les droit subjectifs).

Tijdens het Ancien Régime lag de soevereiniteit (la souveraineté) bij de koning die wetgever en rechter tegelijk was. Na de Franse Revolutie kwam die soevereiniteit bij het volk te liggen en werd de machtenscheiding (la séparation des pouvoirs) uit de Trias politica van Montesquieu ingevoerd. In deze leer worden de wetgevende (le pouvoir législatif), de uitvoerende (le pouvoir exécutif) en de rechtsprekende (le pouvoir judiciaire) functies over verschillende, van elkaar onafhankelijke staatsorganen verspreid. Deze organen kunnen elkaar dan in evenwicht houden, waardoor machtsmisbruik zou moeten worden voorkomen.

Het recht beperkte zich gedurende de negentiende eeuw voornamelijk tot de handhaving van de openbare orde en veiligheid. Zelfs de werking van het vrijheids- en gelijkheidsbeginsel strekte zich nauwelijks verder uit dan het overeenkomstenrecht. Economische vrijheid stond voorop en van het beginsel van broederschap (fraternité) bleef niets meer over. Kortom het moderne liberalisme (le libéralisme) was geboren en het adagium ‘laisser faire, laisser passer’ voerde de boventoon.

De industriële revolutie (la Révolution industrielle) maakte het echter noodzakelijk dat het recht zich ook met de economie ging bemoeien. Er kwamen wetten om de concurrentie in goede banen te leiden, om de ergste uitwassen van de industriële vervuiling te beteugelen en om de intellectuele eigendom (la propriété intellectuelle) te beschermen. Toen de vrouwen in de Eerste Wereldoorlog gedwongen werden de industriële productie van de oorlogsmachine draaiende te houden (de mannen zaten immers aan het front) kwamen ook vrouwenrechten in beeld. Na de oorlog werd het vrouwen kiesrecht (le droit de vote des femmes) ingevoerd en begon een trage maar gestage juridische gelijkstelling van de vrouw aan de man.

Na de Tweede Wereldoorlog komt de uitbreiding van het recht pas goed op gang. Sociale zekerheid, milieuverontreiniging en ethische kwesties als abortus, bio-industrie en euthanasie gaan deel uitmaken van het juridische domein. Ook het internationale recht komt nu pas echt van de grond. De Verenigde Naties (l’Organisation des Nations Unies) wordt al in 1945 opgericht en in 1957 worden de eerste Europese organisaties gevormd. Vooral het Europese recht (le droit européen) zal een enorme invloed op het Franse recht gaan uitoefenen. Desondanks blijft het Franse recht tot op de dag van vandaag zijn eigen specifieke kenmerken behouden

donderdag 8 oktober 2015

De JAF een speciale rechter voor familiezaken

Ieder Tribunal de grande instance (TGI) heeft minimaal één ‘juge aux affaires familiales’, of te wel JAF (art. L. 312-1 Code de l’organisation judiciaire). Vroeger werd de JAF: ‘juge aux affaires matrimoniales’ genoemd. Zoals de naam al aan geeft is deze rechter belast met familiezaken zoals bijvoorbeeld:
  • Scheidingszaken, inclusief scheiding van tafel en bed (séparation de corps) en alle geschillen die na een scheiding (l’après-divorce) kunnen opkomen. In dit soort zaken is bijstand door een advocaat verplicht.
  • Zaken over huwelijksgeschillen (crises entre les époux).
  •  De uitoefening van het ouderlijk gezag (exercise de l’autorité parentale). Hij kan in dit kader bijvoorbeeld een ouder het ouderlijke gezag ontnemen (supprimer l’exercice de l’autorité parentale), de verblijfplaats van het kind aanwijzen (fixer la résidence) of het bezoekrecht regelen (le droit de visite).
  • Zaken over het bezoekrecht van grootouders (le droit de visiste des grands-parents) en andere personen die een emotionele band met het kind hebben. In dit soort zaken is bijstand door een advocaat verplicht.
  •  Naamswijziging (modification du prénom).
  • Alimentatiezaken (pensions alimentairs). De JAF stelt de alimentatie en de hoogte daarvan vast bij een scheiding. Maar niet alleen bij een scheiding, ook behoeftige ouders (des parents démuni financièrement) kunnen een alimentatie van hun meerder jarige kinderen verlangen.
  • Herzieningsverzoeken van onderhoudsplichten (une prestation compensatoire). De JAF kan op verzoek beslissen over de vaststelling (mise en place), verhoging (augmentation) of vermindering (diminution) van een onderhoudsplicht (pension alimentaire).
  •  Zaken over de bijdrage aan de gezinskosten (les charges du mariage).
  • Verhaal van verpleegkosten van onvermogenden op hun kinderen en kleinkinderen (recours des hospices et hôpitaux).