maandag 10 december 2018

HERVORMING VAN DE FRANSE RECHTSPRAAK: FUSIE VAN HET TRIBUNAL D’INSTANCE EN HET TRIBUNAL DE GRANDE INSTANCE


Ondanks felle tegenstand van de oppositie heeft de Franse Assembleé nationale in de nacht van woensdag 5 op donderdag 6 december ingestemd met de controversiële fusie van de Tribunal d’instance (TI) en de Tribunal de grande instance (TGI). De TI zijn vergelijkbaar met de Nederlandse kantongerechten en de TGI zijn vergelijkbaar met de Nederlandse arrondissementsrechtbanken. Met de fusie ontstaat er een nieuw gerecht: het ‘Tribunal judiciaire’ (JI).

Ook in Nederland zijn de kantongerechten al geruime tijd verleden tijd. In 2002 werden de oude kantongerechten opgenomen als de afdeling kanton in de arrondissementsrechtbanken en in 2013 werden zelfs die afdelingen afgeschaft. Een soortgelijke sanering van toegankelijke rechtspraak vlak bij de burger staat nu ook Frankrijk te wachten. Moest in 2017 de Franse buurtrechter (juge de proximité) er al aan geloven nu is de beurt aan de kantongerechten. Deze buurtrechters behandelden kleine zaken die een waarde tot €4.000 vertegenwoordigden.

De 304 TI’s behandelden iets grotere geschillen tussen buren, kleine consumentengeschillen en zelfs lichte strafzaken. De financiële inzet van dergelijke geschillen mocht de €10.000 niet overschrijden en net als bij de ‘juge de proximité’ was bijstand door een advocaat niet verplicht. De 164 TGI’s zijn vooral belast met het normale civiele- en strafrecht waarbij de financiële inzet boven de €10.000 ligt. De fusie levert dus een nieuw soort rechtbank op: het ‘Tribunal judiciaire’. In de praktijk zal het echter vooral neerkomen op een voortzetting van de oude TGI’s onder een andere naam.

Met deze hervorming wordt het nu ook mogelijk om in ieder departement een speciale rechtbank gespecialiseerd in strafzaken in te stellen. Tegelijkertijd wordt een vereenvoudiging van de procedure ingevoerd. Zo wordt het in het civiele recht mogelijk om een eis via internet in te dienen (dépôt de plainte en ligne). Eén en ander moet de Franse rechtspraak goedkoper en efficiënter maken. Of dat ook echt zal lukken is nog maar de vraag. Zeker is het in elk geval wel dat het nu ook voor de Franse burger een stuk lastiger gaat worden om zijn relatief kleine consumentenzaken aan een rechter voor te leggen.



zaterdag 1 december 2018

Internetplatforms: ZZP-er of werknemer


Bij uitspraak van 28 november jongstleden (n° 1737 (17-20.079) heeft de sociale kamer van de Franse Hoge Raad (la Chambre sociale du Court de cassation) uitgemaakt dat ‘zelfstandigen’ die voor internetbedrijven als Deliveroo en Uber werken voortaan als echte werknemers (salarié) moeten worden aangemerkt. Het ging om een aan de kant gezette maaltijdbezorger die vond dat hij als werknemer moest worden beschouwd en daarom aanspraak kon maken op de aan die status verbonden sociale wetgeving.

Om als werknemer te kunnen worden aangermerkt is het volgens de uitspraak nodig dat er een band van ondergeschiktheid (lien de subordination) bestaat tussen werkgever en werknemer. Die band wordt gekenmerkt door de uitvoering van werkzaamheden onder het gezag van een werkgever die de bevoegdheid heeft om bevelen en richtlijnen uit te vaardigen, toezicht te houden op de uitvoering ervan en overtredingen te sanctioneren. Het Cour constateert dat de onderhavige aanstelling: « était dotée d’un système de géolocalisation permettant le suivi en temps réel par la société de la position du coursier et la comptabilisation du nombre total de kilomètres parcourus par celui-ci et l’entreprise disposait d’un pouvoir de sanction à l’égard du coursier ». Dat was voldoende om het contract van de voormalige bezorger van Take Eat Easy, een internetplatform voor de bezorging van maaltijden, te beschouwen als een arbeidscontract met alle wettelijke gevolgen van dien. De maaltijdbezorger was dus gewoon in loondienst bij het bedrijf.

Deze uitspraak heeft verstrekkende gevolgen voor de ‘contractanten’ van alle soortgelijke ondernemingen, die voortaan als werknemers zullen moeten worden aangemerkt. Er zullen sociale premies moeten worden afgedragen en de nieuwe ‘werknemers’ vallen voortaan onder allerlei wettelijke beschermingsregels. Het is trouwens maar de vraag of de gevolgen van deze uitspraak beperkt blijven tot Frankrijk. Het Nederlandse recht wijkt op dit punt niet zo heel veel af van het Franse recht, en ook andere Europese landen kennen soortgelijke leerstukken. Daarmee komt het hele bedrijfsmodel van de digitale platformindustrie op losse schroeven te staan.


zaterdag 10 november 2018

BEWIJSVERMOEDENS IN HET FRANSE CIVIELE RECHT


In het recht wordt onderscheid gemaakt tussen bewijzen en aannemelijk maken. Bij bewijzen gaat het er om de rechter ervan te overtuigen dat het feit, dat bewezen moet worden, door hem als feitelijke grondslag voor zijn beslissing moet worden gebruikt. Bij aannemelijk maken stelt de rechter wat minder zware eisen aan de bewijslevering. Het is voldoende als een partij de rechter er van kan overtuigen dat de aangevoerde feiten waarschijnlijk waar zijn. De rechter is behoorlijk vrij in de beoordeling van een aangedragen bewijs. Zo stelt in Nederland Artikel 152, tweede lid van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering dat de waardering van het bewijs aan het oordeel van de rechter wordt gelaten. Zo kan de rechter in bepaalde gevallen bij de bewijsbeoordeling een bepaalde partij een sterkere positie geven door minder strengen eisen aan het bewijs te stellen. Soms is het de wet zelf die de rechter opdraagt om een zwakkere partij in bescherming te nemen.

In Frankrijk geldt op grond van artikel 1245-8 van de Code civil geldt het principe dat: ‘Le demandeur doit prouver le dommage, le défaut et le lien de causalité entre le défaut et le dommage’. Dat klinkt behoorlijk streng maar het Franse bewijsrecht staat het ook toe om causaliteit en gebrekkigheid vast te stellen op grond van een bewijsvermoeden (une présomption). Als ‘bepaalde feitelijke gegevens ernstige, precieze en met elkaar overeenstemmende aanwijzingen vormen’ (des présomptions graves, précises et concordantes) wordt het aannemelijk geacht dat iets ook daadwerkelijk het geval is. Dit soort bewijsvermoedens kunnen helpen om bij een onzekere causaliteit het bewijsrisico bij de sterkere, rijkere en machtigere partij te leggen. Het Franse bewijsvermoeden is daarmee aanmerkelijk ruimhartiger dan de mogelijkheden die de Nederlandse rechter heeft.

Vooral in het product- en medisch aansprakelijkheidsrecht wordt vaak een beroep op de ‘présomptions graves, précises et concordantes’ gedaan. Neem, bijvoorbeeld, de recente uitspraak in een zaak tegen farmaceutisch bedrijf Sanofi Pasteur. De eiser in deze zaak stelde het bedrijf aansprakelijk, omdat een door hen geproduceerd vaccin tegen hepatitis B de ziekte multiple sclerose (MS) veroorzaakt zou hebben. Om dit aannemelijk te maken werd een beroep op het vermoeden van bewijs gedaan. Er was echter ook Europese regelgeving in het geding: de Richtlijn productaansprakelijkheid was van toepassing. Het Franse Cour de Cassation moest hierover dan ook prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie stellen.

Het gaat dan om de vraag of het ruime Franse bewijsvermoeden ook in het licht van de Richtlijn productaansprakelijkheid toegestaan is? Tot ieders verbazing antwoordde het hof bevestigend (Cour de justice de l’Union européenne, affaire C-621/15. Het lijkt er dus op dat het gebruik van het Franse bewijsvermoeden de zege van het Europese Hof van Justitie krijgt. Dat is des te opmerkelijker, omdat volgens wetenschappelijk onderzoek allerminst vaststaat dat er een causaal verband bestaat tussen het vaccin en MS. Sterker nog, recente studies wijzen zo’n verband van de hand. Het Franse Cour de Cassation heeft bij het voortzetten van de zaak toch nog een besluit ten nadele van de eiser genomen. Hoewel het gebruik van bewijsvermoedens in het algemeen dus wel is toegestaan, past het Cour de Cassation die in dit geval toch niet toe omdat daarmee een te grote inbreuk op het hierboven al geciteerde artikel 1245-8 van de Code civil zou worden gemaakt (Cour de Cassation 18 oktober 2017, ECLI:FR:CCASS:2017:C101101).


donderdag 28 september 2017

SCHEIDEN IN HET FRANSE RECHT

Scheiden is de ontbinding (dissolution) van een huwelijk door rechtelijk vonnis en inschrijving daarvan in het register van de burgerlijke stand. Dit kan bij verzoekschrift (une requête) worden aangevraagd door beide echtgenoten (par consentement mutuel) of door één van de echtgenoten zonder tegenwerping van de ander (sur demande de l’un des époux acceptée par l’autre). In het Nederlandse echtscheidingsrecht (Afdeling 2 Burgerlijk Wetboek Boek 1) bestaat maar één scheidingsgrond: de duurzame ontwrichting van het huwelijk (pour altération définitive du lien conjugal). Deze grond bestaat ook in het Franse echtscheidingsrecht (Titre IV Code civil) maar daar komt dan ook nog de grond schuld (pour faute) van één van de echtgenoten bij.

In tegenstelling tot Nederland kent Frankrijk sinds 1 januari 2017 echter ook de mogelijkheid om buiten de rechter om te scheiden: de zogenoemde ‘divorce sans juge’. De Nederlandse mogelijkheid daartoe de zogenoemde ‘flitsscheiding’ is in 2009 ingetrokken. Een scheiding buiten de rechter om (art. 229-1 e.v. Code civil) is alleen mogelijk voor een scheiding met wederzijdse instemming (divorce par consentement mutuel) en niet voor een scheiding wegens schuld van één van de echtelieden (divorce pour faute). Twee advocaten regelen de scheiding en laten die door een notaris inschrijven. Om de belangen van beide echtgenoten te beschermen moet iedere partij een eigen advocaat hebben. Een eventueel aanwezig minderjarig kind moet ook akkoord gaan met de regeling. Wil die niet akkoord gaan met bijvoorbeeld een voorgestelde omgangsregeling dan moet de scheiding als nog door de rechter worden uitgesproken.


maandag 14 augustus 2017

BEDRIJFSOVERNAME IN HET FRANSE RECHT

Voor de overname van een beursgenoteerde vennootschap (société avec actions cotées en bourse) moet aan een aantal stringente voorwaarden worden voldaan. Deze voorwaarden worden door de ‘Autorité des marchés financiers’ (AMF), de Franse Autoriteit Financiële markten, gesteld. Het gaat dan vooral om de financiële bedrijfsinformatie die openbaar gemaakt moet worden. Ook de vorm waarin een openbaar bod, het zogenoemde ‘offre publique’ gedaan kan worden is aan regels gebonden. Let er wel op een dergelijke overname poging niet te verwarren met de situatie waarbij een vennootschap zelf aandelen uitgeeft om zijn kapitaal te vergroten. Dan wordt nogal verwarrend gesproken van een ‘offre publique à prix ouvert’ of een ‘offre publique à prix fixe’. Ook bij een ‘offre publique de vente’ (O.P.V.) gaat het er niet om een andere vennootschap over te nemen, maar wordt juist geprobeerd de invloed van een paar grote aandeelhouders te verminderen door een deel van hun aandelen op te kopen.

Er bestaan een aantal van elkaar verschillende vormen waarin een ‘offre publique’ tot overname van een bedrijf kan worden gegoten. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om:

  • Een ‘offre publique d’achat’ (O.PA.). Ook wel een ‘offre publique d’acquisition’ genoemd. Hierbij wordt een bod in geld op de aandelen van het over te nemen bedrijf gedaan (paiement en numéraire).
  •  Een ‘offre publique d’échange’ (O.P.E.), waarbij met een aandelenruil geprobeerd wordt een meerderheidsbelang bij het over te nemen bedrijf te verkrijgen (paiement en titres).
  •  Een ‘offre publique mixte’ (O.P.M.), waarbij zowel aandelen worden gekocht als worden geruild (paiement en numéraires et en titres).
  •  Een ‘offre publique alternative’, waarbij de keuze voor aandelen of geld vrij gelaten wordt.
  • Een ‘offre publique de retrait’ (O.P.R.), wordt gedaan in de situatie dat een van de aandeelhouders een belang van minimaal 95% in het bedrijf heeft. Hij kan dan de andere aandeelhouders dwingen hun aandelen af te staan. Een zogenaamde uitrookprocedure of squeeze out.  

In de Europese richtlijn Richtlijn 2004/25/EG betreffende het openbaar overnamebod (la directive sur les offres publiques d’acquisition) worden regels gegeven waaraan de nationale wetgeving van de lidstaten dient te voldoen. In Nederland is dit geregeld in de Wet op het financieel toezicht en in Frankrijk zijn deze regels in de ’Loi relative aux offres publiques d’acquisition’ van 21 maart 2006 neergelegd. De lidstaten moeten een autoriteit of autoriteiten aanwijzen voor toezicht op openbare overnamebiedingen. Net als in Nederland is hierbij in Frankrijk een belangrijke rol weggelegd voor de Autoriteit Financiële Markten (A.F.M.), in Frankrijk de ‘Autorité des marchés financiers’ (AMF).

vrijdag 4 augustus 2017

BODEMVERONTREINIGING ALS VERBORGEN GEBREK

Zowel in Nederland als in Frankrijk is het verstandig om bij de koop van een huis uit te zoeken wat de kwaliteit van de bodem is en of deze geschikt is voor het door u beoogde gebruik. In Nederland is de koper zelfs wettelijk verplicht uit te zoeken of er bodemverontreiniging aanwezig is (de zogenaamde onderzoeksplicht). Ook de verkoper is verplicht de koper te informeren over eventueel aanwezige verontreiniging (de informatieplicht). In het koopcontract wordt dan een standaardclausule opgenomen over de mogelijke aanwezigheid van ondergrondse tanks en bodemverontreiniging. In Frankrijk is dit alles niet verplicht en wordt er lang niet altijd een clausule over de staat van de bodem in een koopovereenkomst opgenomen.

De koper van een verontreinigd onroerend goed kan in Frankrijk natuurlijk altijd naar de rechter stappen, maar dat vergt wel enig geduld. Zo duurde het in de hier behandelde zaak over een oude garage meer dan tien jaar voor er een definitieve uitspraak lag. Bij uitspraak van 29 juni 2017 heeft de civiele kamer van de Franse Hoge Raad, het Cour de cassation (Cour de cassation Ch.civ 3 nr. 16-18087), de verkoper en de makelaar (le vendeur et l’agent immobilier) van de garage veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan de koper (l’acquéreur). De particuliere koper (eigenlijk ‘une SCI familiale’) wilde het gebouw tot een woning verbouwen. De grond van de voormalige garage bleek echter ernstig vervuild te zijn.

Frankrijk kent niet de in het Nederlandse recht gebruikelijke schoongrondverklaring en de koper had het onroerend goed in de koopovereenkomst expliciet geaccepteerd in de staat waarin het verkeerde (en l’état et sans garantie). In de koopovereenkomst was natuurlijk geen beding over de conditie van de bodem opgenomen. De koper stelde de verkoper, makelaar en notaris aansprakelijk voor de schade die hij door de bodemverontreiniging geleden had. Volgens hem moest de verontreiniging als een verborgen gebrek (vice caché) worden aangemerkt.

Het Cour de cassation overwoog dat de koper er niet zonder meer van uit mocht gaan dat de grond onder de door hem gekochte garage schoon was. Het is een feit van algemene bekendheid (dont tout un chacun pouvait avoir connaissance) dat garages een belangrijke bron van bodemverontreiniging zijn. Desondanks mocht ook van de verkopende partij verwacht worden dat ze de koper over de verontreiniging informeerden. Temeer daar er naast de ‘normale’ verontreinigingen ook nog eens vaten met gevaarlijke stoffen begraven waren. Het Cour overwoog: « qu’en sa qualité de dernier exploitant du garage précédemment exploité par son père, M. X... ne pouvait ignorer les vices affectant les locaux et que l'existence des cuves enterrées qui se sont avérées fuyardes n'avait été révélée à l'acquéreur que postérieurement à la vente ».

Naar het oordeel van het Cour de cassation vormden de begraven vaten dus inderdaad een verborgen gebrek waar de verkoper aansprakelijk voor gesteld kon worden. De koper moest een kwart van de schade zelf dragen, omdat hij in elk geval een deel van de verontreiniging van te voren had kunnen verwachten.


Na tien jaar kreeg de bedrogen koper dus eindelijk zijn schadevergoeding. Tien jaar is een lange tijd en niet iedereen heeft het geduld en de financiële middelen om zolang te wachten. Het is dan ook beter om het niet zover te laten komen en er ook bij de koop en verkoop van een Frans pand voor te zorgen dat er garanties over de toestand van de bodem in het koopcontract staan opgenomen.

donderdag 29 juni 2017

GEBRUIKS- EN WOONRECHT IN HET FRANSE RECHT (DROIT D’USAGE ET D’HABITATION)

Het Franse recht kent een bijzonder soort vruchtgebruik dat gebruikt wordt voor de bewoning van een woonhuis: het ‘droit d’usage et d’habitation’. Het wordt gebruikt als een alternatief voor het kopen van een woning en heeft bepaalde fiscale voordelen. Het Nederlands recht kent een dergelijke constructie niet. Het lijkt me dan ook de moeite waard om wat verder in te gaan op dit bijzonder stukje Frans recht.

Daarvoor moeten we eerst even naar het eigendomsrecht kijken. Eigendom is zowel in Frankrijk als Nederland het meest omvattende recht op een zaak (un bien). Op grond van zowel artikel 544 Code civil als Artikel 1 Burgerlijk Wetboek Boek 5 bestaat dit recht uit:
  •         Het vruchtgebruik (droit de jouissance of fructus.
  •         Het gebruiksrecht (l’usus of droit d’usage).
  •         Het beschikkingsrecht (l’abusus of droit de disposition).

Net als in Nederland kunnen ook in het Franse recht deze verschillende onderdelen van het eigendomsrecht over verschillende personen verdeeld worden. Het zo verkregen recht wordt een ‘droit réel démembré’ genoemd. Het gaat als het ware om een van de totale eigendom (la pleine propriété) afgesplitst deel van het eigendomsrecht. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de verdeling tussen het vruchtgebruik (usufruit) en de naakte eigendom (nue-propriété), waarbij de vruchtgebruiker mag profiteren en dus letterlijk de vruchten mag plukken van de eigendom van iemand anders.

Het gebruiks- en woonrecht (droit d’usage et d’habitation) worden in het Franse recht dan als een soort afgezwakte vorm van dit vruchtgebruik aangemerkt. In boek twee van de Code civil is hier zelfs een speciale titel aan gewijd: titre 3:‘de l’usufruit, d’usage et d’habitation’ (artikel 625 e.v. Code civil). Het normale vruchtgebruik is een zakelijk recht (droit réel), maar het ‘droit d’usage et d’habitation’ is een persoonlijk recht (droit personnel) en komt daardoor alleen toe aan de rechthebbende en zijn gezinsleden. Een vruchtgebruiker kan zijn zakelijke recht vervreemden of desnoods weggeven. Allemaal dingen die met een persoonlijk recht niet kunnen worden gedaan.


De drager van het ‘droit d’usage et d’habitation’ moet het normale onderhoud aan de woning zelf uitvoeren, maar groot onderhoud aan het casco komt voor rekening van de eigenaar (artikel 605 Code civil). De ‘taxe d’habitation’ komt voor rekening van de bewoner, maar de ‘taxe foncière’ moet in principe door de eigenaar worden betaald. Het is echter mogelijk om te regelen dat de kosten voor deze laatste belasting worden vergoed door de bewoner.

woensdag 11 januari 2017

EEN INDELING VAN HET FRANSE RECHT

Rechtsregels worden ingedeeld in verschillende sectoren, die in het Frans ‘les branches du droit’ worden genoemd. Het Franse en Nederlandse rechtssysteem (le système juridique) wordt tot het continentale recht (le droit civiliste) gerekend. Dit betekent dat de rechtsregels voornamelijk in wetsteksten zijn vastgelegd. Dit in tegenstelling tot het Angelsaksische rechtssysteem (la common law) waar rechtsregels uit rechterlijke uitspraken moeten worden afgeleid. Naast het binnenlandse recht (le droit interne) gaat het internationale recht (le droit international) een steeds grotere rol spelen.

Om wat orde in de jungle van wetten en regels te brengen wordt het recht vaak in een aantal eenvoudige categorieën onderverdeeld. Er bestaan verschillende indelingen die allemaal lijden aan een zekere willekeur en over simplificatie van de werkelijkheid, maar desondanks toch helpen om wat orde in de chaos te scheppen.

Het belangrijkste onderscheid, dat zowel in het Franse als het Nederlandse recht gebruikelijk is, is dat tussen publiekrecht (le droit public) en privaatrecht (le droit privé). Grof gesteld kunt u er van uit gaan dat het privaatrecht de juridische betrekkingen tussen privé personen (personnes privées) regelt en het publiekrecht de betrekkingen waarbij staatsinstellingen (personnes publiques), zoals de rijksoverheid (l’État), de regio’s (les Régions), de departementen (les départements) of de gemeenten (les communes) betrokken zijn. Als er een staatsinstelling bij betrokken is gelden niet alleen andere regels, maar is er zelfs een heel ander soort gerechten bevoegd.

Zo kent Frankrijk dus twee verschillende, volledig los van elkaar staande, juridische ordes. Aan de ene kant de gewone gerechten van de ‘l’ordre judiciare’ en aan de andere kant de bestuursgerechten van de ‘l’ordre administratif’. Er bestaat daarbij een strikt onderscheid tussen het stelsel van gewone rechtbanken en het stelsel van bestuursrechtbanken (l’ordre administratif).

Het publiekrecht wordt weer onderscheiden in het staatsrecht (le droit constitutionnel), het bestuursrecht (le droit administratif), het belastingrecht (le droit fiscal) het strafrecht (le droit pénal) en het internationaal publiekrecht (le droit international public.

Het privaatrecht wordt weer onderverdeeld in het civiele recht (le droit civil), het handelsrecht (le droit commercial), het sociale recht (le droit social), het landbouwrecht (le droit rural) en het internationaal privaatrecht (le droit international privé). Verwarrend is wel dat de termen privaatrecht (droit privé) en civielrecht (droit civil), vooral in Nederland, maar ook in Frankrijk, als synoniemen worden gebruikt.

Het civiele recht kent zelf ook weer een verdelingen in verschillende categorieën. Zoals het vermogensrecht (le droit patrimonial) waarbij het gaat om op geld waardeerbare (évaluable en argent) rechten. Dus om het recht (le droit subjectif) dat iemand over een bepaald vermogensbestanddeel heeft. Daar tegenover staan de niet op geld waardeerbare rechten (droits extrapatrimoniaux). Voorbeelden van dit soort rechten die dus niet onder het vermogensrecht vallen, zijn het recht op privacy (le droit au respect de la vie privée) en het briefgeheim (le droit au secret des correspondences).

Het vermogensrecht wordt vervolgens weer onderverdeeld in het zakenrecht (le droit réel) dat zich met echte materiële dingen bezighoudt, zoals bijvoorbeeld het eigendomsrecht (le droit de propriété) en het vruchtgebruik (le droit d’usufruit), en het meer subjectieve verbintenissenrecht (le droit personnel ou de créance). Het zijn hier niet langer de stoffelijke dingen, maar de personen zelf die de hoofdrol spelen. Het gaat nu over de verbintenissen die personen kunnen aangaan en omvat een bevoegdheid die iemand heeft ten aanzien van een andere persoon (droit de créance). De crediteur (le créancier) kan een prestatie (une prestation) verlangen van de debiteur (le débituer), bijvoorbeeld bij het aangaan van schulden (dettes de sommes d’argent), of bij het aangaan van een contractuele verplichting om iets te geven, doen of na te laten (obligation de donner, faire ou de ne pas faire).

Een onderdeel van het verbintenissenrecht is het contractenrecht (droit des obligations). Hierbij gaat het echt om het ontstaan van een juridische band tussen personen. Dit kan met een formele, vaak op papier gestelde, overeenkomst (un contrat), maar ook buiten een contract om door het ontstaan van een verplichting tot het betalen van een schadevergoeding (dommages et intérêts) als het gevolg van een onrechtmatige daad (délit civil of quasi-délit).

woensdag 16 november 2016

HERZIENING VAN HET FRANSE VERBINTENISSENRECHT II

Op gevaar af dat het een saaie opsomming wordt (dat is het al) besteed ik in dit blog opnieuw aandacht aan een paar van de veranderingen in verbintenissenrecht. Het gaat deze keer vooral om regels die in de rechtspraak al lang werden toegepast, maar die nu netjes in de wet worden vastgelegd.

De totstandkoming van een overeenkomst was in het Franse recht grotendeels geregeld in de jurisprudentie. Met de codificering van het rechtersrecht is daar nu verandering in gekomen. Zo legt artikel 1112 Code civil de rechtsspraak over de precontractuele onderhandelingen (négociations précontractuelles) en aansprakelijkheid bij afgebroken onderhandelingen vast. Ook de intrekking van het aanbod en de herroeping van het aanbod zijn tegenwoordig bij wet geregeld. Intrekking is mogelijk zolang het aanbod de geadresseerde nog niet heeft bereikt en nog niet van kracht is geworden (artikel 1115 Code civil), Artikel 37, derde lid, Burgerlijk Wetboek Boek 3). Herroeping is mogelijk zolang het aanbod dat de geadresseerde al wel heeft bereikt nog niet is aanvaard (artikel 1116 Code civil, Artikel 37, vijfde lid, Burgerlijk Wetboek Boek 3). Vreemd genoeg gebruikt de Code civil voor beide situaties de term ‘rétractation’. Artikel 1117 regelt vervolgens dat als er een termijn is bepaald voor de aanvaarding het aanbod na verloop van die termijn van rechtswege vervalt (l’offre est caduque). Artikel 1121 Code civil regelt dan het moment van totstandkoming van een overeenkomst. In Nederland is dat Artikel 6:217 Burgerlijk Wetboek. Net als in Nederland (Artikel 37, derde lid, Burgerlijk Wetboek Boek 3) geldt het moment van ontvangst van de aanvaarding van een aanbod (dès que l’acceptation parvient à l’offrant) als het moment van totstandkoming van die overeenkomst.

Veel andere leerstukken die in de Franse jurisprudentie allang aanvaard zijn worden nu voor het eerst bij wet geregeld. Zo zijn de eenzijdige belofte (la promesse unilatérale van artikel 1124 Code civil), de nietigheden (la nullité, art 1178 e.v. Code civil), waaronder ook de voorheen niet erkende gedeeltelijke nietigheid (artikel 1184 Code civil), de duur van de overeenkomst (la durée du contrat, artikel 1210 e.v. Code civil), het niet nakomen van een overeenkomst (inexécution du contrat, artikel 1217 e.v. Code civil), een nieuwe definitie van overmacht (force majeure, artikel 1218 Code civil), prijsvermindering bij gedeeltelijke niet-nakoming oftewel bij een gebrek in de prestatie (exécution imparfaite, artikel 1223 Code civil) en de buitengerechtelijke ontbinding via een ontbindende voorwaarde (clause résolutoire, artikel 1224 Code civil).

Volgens het nieuwe artikel 1171 Code civil worden in standaardcontracten (un contrat d’adhésion) oneerlijke bedingen voortaan ongeacht het soort overeenkomst als ongeschreven aangemerkt (réputé non écrite). Standaardvoorwaarden die een aanzienlijke onevenwichtigheid scheppen tussen de rechten en plichten van partijen zijn voortaan dus ook volgens de wet nietig. Dit was al het geval op grond van het Europese recht (richtlijn 93/13) en de jurisprudentie, maar is nu ook formeel in de Code civil vastgelegd.


Anders dan het Nederlandse recht (Artikel 258 Burgerlijk Wetboek Boek 6) en het Franse bestuursrecht kende het Franse civiele recht tot deze wetswijziging niet de mogelijkheid om een overeenkomst te wijzigen of te ontbinden wegens onvoorziene omstandigheden (imprévision). Het beroemde arrest ‘Canal de Craponne’ van het Cour de cassation uit 1876 (Canal de Craponne) bepaalde dat ‘imprévision’ niet tot aanpassing van een overeenkomst mag leiden. In de praktijk werd dit gebrek opgevangen door een zogenoemde ‘force majeur’ clausule in het contract op te nemen. Met het nieuwe artikel 1195 Code civil is dat niet langer nodig. Dit artikel geeft de rechter de bevoegdheid om op verzoek van één van de partijen de overeenkomst aan te passen als er een te grote disbalans tussen de wederzijde prestaties van partijen dreigt te ontstaan. Net als in Nederland moeten er eerst heronderhandelingen plaatsvinden voor naar de rechter gestapt kan worden. Pas als die onderhandelingen mislukken of als één van de partijen niet wil onderhandelen staat de weg naar de rechter vrij.

In een volgend blog zal ik verder gaan met deze opsomming.

donderdag 27 oktober 2016

De herziening van het Franse verbintenissenrecht van 1 oktober 2016

Op 1 oktober 2016 vond in Frankrijk een kleine revolutie plaats. Voor het eerst 210 jaar na de invoering van de Code civil in 1804 vond een grondige herziening van het Franse verbintenissenrecht plaats. Kleine veranderingen van de Code civil zijn regelmatig doorgevoerd, maar een echte herziening om de oude wet wat toegankelijker te maken en daarmee de rechtszekerheid te bevorderen heeft tot 2016 moeten wachten. Volgens de toelichting is de wetswijziging vooral bedoeld om de rechtspraak te codificeren (in de jurisprudentie was het Franse verbintenissenrecht allang gemoderniseerd) en om het Franse recht aantrekkelijker te maken voor de internationale handel.

Vreemd genoeg is bij de totstandkoming van de wet geen gebruik gemaakt van de normale parlementaire weg, maar van een door de regering afgekondigde ‘ordonnance’ (verordening) op grond van artikel. 38 Constitution. Dit betekent dat het parlement de regering de bevoegdheid geeft om zelfstandig een wetswijziging door te voeren. De senaat was aanvankelijk van mening dat een zo belangrijke verandering van wat in Frankrijk als de grondwet van de burgerlijke samenleving wordt beschouwd (la constitution civile) bij wet moest worden ingevoerd. De senaat verloor echter de strijd met de regering en de ‘Assemblée nationale’ en de regering kreeg in 2015 het mandaat om het verbintenissenrecht van boek III van de Code civil aan te passen. De nieuwe wet bij ‘ordonnance’ is op 1 oktober 2016 in gegaan, maar moet nog wel door het parlement worden bekrachtigd. De herziening van de Code civil is hiermee nog niet voorbij, er is ondertussen een voorontwerp (avant-projet) voor een herziening van het aansprakelijkheidsrecht (droit de la responsabilité civile). 

Na meer dan 200 jaar rechtsontwikkeling was boek III van de Code civil echt wel aan herziening toe. Toch is de verandering nog vrij beperkt gebleven. Dalloz heeft een handig en gratis te raadplegen overzicht met toelichting van de veranderingen beschikbaar gesteld (www.editions-dalloz.fr/livre-blanc-reforme-du-droit-des-obligations). De belangrijkste wijziging is volgens mij de afschaffing van de ‘cause’. Artikel 1108 Code civil (oud) bepaalde dat er vier voorwaarden zijn voor de geldigheid van een overeenkomst:

1.      Toestemming (consentement);
2.      Handelingsbekwaamheid (capacité de contracter);
3.      Voorwerp (objet) en;
4.      Geoorloofde causa (cause).


Het huidige Artikel 1128 Code civil comprimeert de laatste twee voorwaarden tot de eis van een geoorloofde en bepaalde inhoud (un continu licite et certain). Daarmee volgt het Franse recht de Nederlandse wetgever die de ‘oorzaak’ al bij de invoering van het nieuwe vermogensrecht in 1992 afschafte. Een overeenkomst moet natuurlijk nog steeds een mogelijke en bepaalbare prestatie (une prestation possible et déterminée) tot voorwerp hebben (artikel 1163 Code civil) en kan nog steeds nietig zijn wegens strijd met de openbare orde (art. 1102 Code civil). De in Nederland en de meeste andere Europese landen nog gebruikelijke verwijzing naar de ‘goede zeden’ (Artikel 3:40 BW) verdwijnt daarbij helemaal. Alleen voor zover strijd met de goede zeden ook valt aan te merken als strijd met de openbare orde zijn ze nog van belang.

De komende tijd zal ik regelmatig van dit soort kleine stukjes waarin ik de veranderingen in het Franse verbintenissenrecht beschrijf aan u presenteren. Blijf deze, nogal onregelmatige blog, dus volgen als u meer over het Franse recht in relatie tot het Nederlandse recht te weten wil komen.

zaterdag 21 mei 2016

HET BEGIN VAN EEN CIVIELE ZAAK IN HET FRANSE PROCESRECHT

Er bestaan in het Franse civiele recht drie manieren om voor een rechter te worden gedaagd (convocation en justice):
·        - Une asssignation (dagvaarding);
·       -  Une déclaration au greffe (verklaring ter griffie);
·        - Une requête (verzoekschrift).

De ‘déclaration au greffe’
Dit is de makkelijkste manier om in Frankrijk een rechtszaak te beginnen. Het Nederlandse recht kent een dergelijke procedure niet, maar in het Frankrijk kunnen eenvoudige zaken bij ‘la juridiction de proximité’, ‘le tribunal d’instance’ of ‘le conseil de prud’hommes’ begonnen worden met een simpele en kosteloze verklaring ter griffie, de zogenoemde: ‘déclaration au greffe’ (Art. 843 en 844 Code de procédure civile). Hiermee kunnen de kosten van een officiële dagvaarding (assignation) worden voorkomen. Een dergelijke verklaring kan zowel mondeling als schriftelijk bij de griffie van het desbetreffende gerecht worden ingediend. Het Franse ministerie van Justitie stelt hiertoe een aantal online standaardformulieren ter beschikking. Deze formulieren zijn niet verplicht, een brief waarin een en ander uiteengezet wordt kan ook. Het belang van de desbetreffende zaak mag de € 4.000 niet overtreffen (art. 847-1 Code de procédure civile). Voor hogere bedragen moet door een gerechtsdeurwaarder (un huissier de justice) een dagvaarding (assignation) worden uitgevaardigd. Samen met de ‘déclaration au greffe’ moeten meteen alle op de zaak betrekking hebbende stukken (les pièces justificatives), zoals contracten, facturen en dergelijke worden overlegd.

Het ‘requête’
Ook dit is een relatief eenvoudige manier om een rechtszaak te beginnen. Met een verzoekschrift (Art. 60 Code de procédure civile) kan echter alleen een procedure zonder wederpartij (une procédure unilatérale), dus niet op tegenspraak (une demande en justice en matière gracieuce) worden begonnen. In tegenstelling tot een dagvaarding waarbij wel sprake is van een wederpartij. In het Franse recht kan het daarbij ook gaan om een situatie waarbij de verzoeker zijn wederpartij niet wil waarschuwen. Bijvoorbeeld bij het uitvaardigen van een dwangbevel (une requête en injonction de payer) of het leggen van een conservatoir beslag (une saisie-conservatoire), waarbij het soms verstandiger is om de wanbetaler (le mauvais payeur) in het ongewisse te laten van wat hem boven het hoofd hangt. Ook de ‘juge aux affaires familiales’ (Jaf) kan met een verzoekschrift benaderd worden. Zo kunnen zaken als een verandering in de alimentatie (pension alimentaire) relatief eenvoudig geregeld worden. Voor het indienen van een ‘requête’ wordt doorgaans een formulier gebruikt. Dit zelfde formulier bevat ook ruimte voor het rechterlijk oordeel en wordt later als vonnis, bij een verzoekprocedure beschikking (ordonnance sur requête) genoemd, teruggezonden.

De ‘assignation’
In Nederland is de dagvaarding de normale start van een civiele procedure die niet met een verzoekschrift begint (Artikel 111 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). In Frankrijk kan een procedure ook beginnen met een verklaring ter griffie (déclaration au greffe). Alleen voor zaken die een belang vertegenwoordigen van meer dan €4.000 kan niet volstaan worden met een ‘déclaration au greffe’. Een dergelijke civiele procedure start (une convocation en justice) doordat een gerechtsdeurwaarder (huissier de justice) op verzoek van een eiser (un demandeur) een deurwaardersexploot betekent (le signification) aan de gedaagde persoon (le défendeur) (art.55 Code de procédure civile). Zo’n dagvaarding wordt vanwege de blauwe kleur trouwens ook wel ‘le papier bleu’ genoemd. Een dagvaarding bevat behalve de personalia van de eiser, gedaagde en deurwaarder ook de plaats en het moment waarop de gedaagde in rechte moet verschijnen. In Frankrijk geldt dit laatste alleen voor de ‘Tribunal d’instance’ en de ‘Tribunal de commerce’, voor het ‘Tribunal de grande instance’ wordt later een datum voor de zitting vastgesteld (art. 755 Code de procédure civile). Als het om een spoedeisende zaak gaat kan de ‘président du tribunal de grande instance’ toestemming geven om ‘une assignation à jour fixe’ te laten betekenen (art. 788 Code de procédure civile).Ook moeten het onderwerp van de eis (l’objet de la demande), een uiteenzetting van de middelen (un exposé des moyens) en een heldere conclusie deel uit maken van de dagvaarding. 

donderdag 4 februari 2016

RECHTSVERMOEDENS EN FICTIES IN HET FRANSE CIVIELE RECHT

Of je nu een Franse of een Nederlandse rechter bent één van de eerste problemen waar je bij een aan je voorgelegd geschil tegen aanloopt is de vraag of wat de ruziënde partijen beweren wel waar is. Meestal doen de ruziemakers totaal tegenstrijdige beweringen. Kortom hoe zit het met het bewijs van de gestelde feiten. Dit probleem valt in twee deelproblemen uiteen. Aan de ene kant de vraag wie wat moet bewijzen, of te wel aan wie de bewijslast (la charge de la preuve) toekomt. En aan de andere kant de vraag hoe je iets kan aantonen, of te wel de vraag wat als bewijsmiddel (un moyen de preuve) kan gelden
.
De tweede vraag laten we hier nu even voor wat hij is, maar op de eerste vraag gaan we wat dieper in. Het is in zowel het Nederlandse als het Franse recht een algemene regel dat wie iets stelt dat ook moet bewijzen. Wie stelt, bewijst. Maar is dat echt altijd zo?

Nee, de wet en zo nu en dan ook de rechter zelf kan soms uitgaan van een rechtsvermoeden (une présomption) of zelfs van een rechtsfictie (une fiction). Artikel 1349 van de Code civil zegt het als volgt: ‘les présomptions sont des conséquences que la loi ou le magistrat tire d’un fait connu à un fait inconnu’. Uit een bekend feit, een bepaalde getrouwde vrouw brengt een baby ter wereld, wordt een onbekend feit, de man van die vrouw is de vader, afgeleid en meteen voor waar aangenomen.
In het civiele recht wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen een wettelijk rechtsvermoeden (présomption légale/présomption de droit) en een feitelijk rechtsvermoeden (présomption de fait/présomption du fait de l’homme). Van een feitelijk vermoeden is sprake in een situatie waarbij een rechter uit een vaststaand feit een daar logischer wijs uit voortvloeiend ander feit voor bewezen verklaard. Als vast staat dat iemand in Parijs was, kan hij niet tegelijkertijd in Amsterdam zijn. Een soort indirect bewijs dat altijd herroepen kan worden met een tegenbewijs (preuve contraire). Het gaat meestal om een geval waarbij het haast onmogelijk is om direct bewijs te leveren.

Er bestaan naast deze rechterlijke rechtsvermoedens heel wat wettelijke vermoedens. Behalve het hierboven genoemde vermoeden van vaderschap van de echtgenoot (présomption de paternité du mari) van artikel 312 Code civil, bijvoorbeeld ook nog het vermoeden van goede trouw (présomption de bonne foi) van artikel 2268 Code civil en het vermoeden van eigendom van de bezitter van een goed (présomption de propriété) van artikel 751 Code civil. Een wettelijk rechtsvermoeden is zo een door de wetgever gecreëerd bewijsvoordeel voor de partij die zich op de door de wet als normaal beschouwde situatie kan beroepen. Hij hoeft niets te bewijzen, het wordt voor waar aangenomen. Als de tegenpartij het daar niet mee eens is moet hij tegenbewijs (preuve contraire) leveren om het tegendeel aan te tonen. Er is hier dus sprake van een omkering van de bewijslast (renversement de la charge de la preuve) ten nadele van degene die tegen het rechtsvermoeden in wil gaan.
De meeste wettelijke rechtsvermoedens worden als ‘présomptions simples’ aangemerkt. Een met tegenbewijs weerlegbaar rechtsvermoeden. Maar er bestaan ook onweerlegbare rechtsvermoedens (présomptions irréfragables). De meest bekende is de ‘présomption de la vérité de la chose jugé’. Een in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk vonnis, een vonnis waar geen rechtsmiddelen meer tegen openstaan, wordt als onweerlegbaar aangemerkt. Zelfs als er een rechterlijke dwaling (un ereur judiciaire) is begaan blijft de wetgever ervan uitgaan dat de uitspraak waar is.

Een onweerlegbaar rechtsvermoeden wordt al bijna een rechtsfictie (une fiction). Ook ficties spelen een belangrijke rol in het civiele recht. Bij een fictie doet de wetgever alsof. Het is een wetstechnisch hulpmiddel (un artifice de technique juridique) om een eigenlijk feitelijk andere situatie toch binnen de werkingssfeer van een wetsartikel te laten vallen. Bijvoorbeeld bij vertegenwoordiging (représentation), waarbij van de juridische fictie wordt uitgegaan dat de vertegenwoordigde zelf een rechtshandeling aangaat en daar door gebonden wordt. Of bij al die gevallen waarin de wet uitgaat van terugwerkende kracht (retroactivité), waarbij er juridisch van wordt uitgegaan dat iets wat vandaag gebeurd is al een poosje geleden heeft plaatsgevonden.


Een juridische fictie moet altijd een wettelijke basis hebben. Alleen de wetgever zelf mag liegen en dan ook alleen nog maar op een moment dat iedereen weet dat hij liegt. Zo ook de grootste rechtsfictie van allemaal: ‘iedereen wordt geacht de wet te kennen’ (nul n’est censé ignorer la loi).

maandag 25 januari 2016

Biens incorporels (onlichamelijke zaken)

Goederen (biens) zijn alle dingen die je in eigendom kunt hebben. In het Romeinse recht werd daarbij al onderscheid gemaakt tussen lichamelijke zaken ‘res corporales’ en onlichamelijke zaken ‘res incorporales’. De lichamelijke zaken waren echte materiële dingen. Tastbare zaken die kunnen worden aangeraakt. Bij de onlichamelijke zaken ging het om het recht op die materiële dingen. Er lag dus altijd een fysiek voorwerp ten grondslag aan een onlichamelijke zaak. Je kon alleen een materieel lichamelijk ding bezitten. In het moderne recht is dat niet langer het geval.

Tegenwoordig gaat het om de vraag of een ding een economische waarde heeft. Dus vooral om de vraag of iets op geld waardeerbaar is (ayant une valeur pécuniaire). Onlichamelijke goederen zijn dan rechten en vorderingen met een economische waarde. ‘Biens incorporels’ zijn dus eigenlijk een vorm van intellectuele eigendom (propriété intellectuelle). Zoals bijvoorbeeld een geldvordering (une créance), gebruiksrechten (droits d’usage) of een auteursrecht (un droit d’auteur). De eigendom van een onlichamelijke zaak is dus onafhankelijk van het al dan niet bestaan van een achterliggend fysiek en tastbaar voorwerp (une chose matérielle et tangible). Dat neemt niet weg dat het heel goed mogelijk is dat een ‘biens incorporels’ zijn grond vindt in een tastbaar object.

In het Nederlandse recht wordt de term zaak gereserveerd voor lichamelijke zaken. Voor wat in het Franse recht ‘biens incorporels’ wordt genoemd gebruiken Nederlandse juristen het woord vermogensrecht. In het Nederlandse recht wordt de term onlichamelijke zaak gelet op de definitie van het begrip zaak in 3:2 BW dan ook niet meer gebruikt. Er wordt echter weldegelijk een strikt onderscheid gemaakt tussen tastbare objecten, zaken in de zin van artikel 3:2 BW, en de genoemde vermogensrechten. Beiden zijn vermogensbestanddelen en worden juridisch als goederen (biens) aangemerkt.